Return to site

Het leven als kunstwerk (2008)

Joep Dohmen

Het leven als kunstwerk wordt hier geciteerd naar de eerste uitgave, die een breed publiek bereikte tijdens de populaire, jaarlijkse maand van de filosofie (april). Het boek begint met een persoonlijke herinnering:

In 1970 heeft Willy Hamer mij Nietzsche leren kennen. Wij waren jong, negentien, twintig, en hadden ons allebei ingeschreven aan de filosofische faculteit van de Rijksuniversiteit Utrecht. Daar kwam bij dat we allebei in dezelfde straat woonden, hij op Poortstraat nummer 12 en ik een paar honderd meter verderop, op nummer 75bis. Elke maandagavond zochten we elkaar op om samen Nietzsche te lezen. Dat was natuurlijk helemaal geen filosofie. Het was een passie. (p. 11)

Hamer wist veel meer van Nietzsche en had reizen gemaakt naar Nietzsche-locaties.

Nietzsche smeedde onze zielen aaneen tegen de vijand. Hij was het ijkpunt in ons verzet tegen de lauwen, de linksen en de lafbekken. (p. 12)

Dat waren medestudenten die een ‘stom’ vak volgden en niet precies wisten waarom. De linksen vormden een marxistisch-leninistische splintergroepering. Lafbekken waren de flowerpowerstudenten. Bij Nietzsche lazen Dohmen en zijn vriend dat de mens zich tegenover zichzelf moet verantwoorden over zijn bestaan.

Als ik eraan terugdenk waren wij natuurlijk behoorlijk waanwijs en ach, verder best aardig. Maar wij hadden ook iets te pakken. Wij waren wél jongens die vonden dat het leven ergens over moest gaan. Daarin hadden wij gelijk, toch? (p. 14)

Tegenwoordig geldt onafhankelijkheid en keuzevrijheid als norm en dan vooral in economische termen:

De topmanager staat model voor de succesvolle mens. […] Afhankelijke mensen zijn losers. (p. 15)

Dit moderne individualisme verwordt tot narcisme, autisme en grootheidswaan.

De moderniteit heeft het inidividu opgezadeld met de culturele opdracht tot zelfsturing, maar hem niet geleerd hoe daaraan te voldoen. Hier zijn we volgens mij bij de kern van de zaak. (p. 24)

Autoriteiten worden gewantrouwd, niet-inmenging is wet, alles kan gekozen of gekocht worden, traditionele levensbeschouwingen zijn vervangen door een amusementsindustrie. Sommige conservatieve en progressieve denkers pleiten voor een gemeenschapsmoraal, overheidsbemoeienis of repressie. Dohmen kiest een andere weg: de ethiek van de levenskunst. Hij herinnert aan het appèl van filosoof Michel Foucault en zet zich in voor een actuele levenskunst.

Ik hoop de lezer ervan te overtuigen dat levenskunst vandaag de dag een nieuwe publieke moraal kan zijn, waarmee we de negatieve vrijheid kunnen overleven zonder in een nieuw paternalisme terecht te komen. Met deze moraal van zelfverantwoordelijkheid kunnen we bovendien een nieuwe invulling van positieve vrijheid vinden en een geslaagd leven leiden. (p. 26)

Een typologie van de levenskunstenaar zou kunnen bestaan uit: de levensgenieter, de volharder, de morele held, de alleskunner en de verlichte geest. Maar dit roept vragen op: Kunnen we leren leven en hoe kunnen we leren leven? Welke levensvorm is levenskunst? Is het leven wel maakbaar? Kan een leven ook een kunstwerk zijn?

Een vergelijking tussen beeldhouwkunst en levenskunst kan iets opleveren:

De belangrijkste overeenkomst is wel dat het in beide gevallen om een scheppende activiteit gaat waarin allerlei technieken, stijlvormen en publieke criteria een belangrijke rol spelen. […] Het belangrijkste verschil is dat bij de levenskunstenaar de verhouding tussen vormgever en vorm fundamenteel anders ligt dan bij de beeldhouwer. De levenskunstenaar die zichzelf bewerkt, staat vervolgens anders in het leven, waardoor er weer een andere, nieuwe verhouding tot zichzelf ontstaat. […] Levenskunst is dus geen kunst in de gebruikelijke zin van dat woord. (p. 39)

Volgens Foucault is levenskunst meer een kunde, een kwestie van ambachtelijkheid en vakmanschap en Erich Fromm benadrukte de noodzaak van ‘concentratie, discipline, gelduld en toewijding’. Maar vakmanschap stoelt op methodes en doelen:

Er bestaan echter geen evidente methode(s) en doel(einden) voor het mensenleven. Wie zijn eigen leven ter hand wil nemen en zichzelf wil gaan vormgeven, kan niet teruggrijpen op een blauwdruk, een specifieke leermethode met een vaststaand doel. […] het leven als zodanig is geen vak. (p. 41)

Ook al is levenskunst geen vak en geen kunst, het valt wellicht wel te leren als kunst of als vakmanschap. Socrates leerde al dat een manier van leven vinden feitelijk filosofie is.

Van alle waarheden uit de hele geschiedenis is deze misschien wel de belangrijkste: ieder mens moet zijn eigen praktische wijsheid opdoen. (p. 44)

Dat kan door zelfkennis en zelfzorg, wat betekent dat ‘je een relatie aangaat met jezelf met het oog op praktische wijsheid’ en dat je een eigen en waarachtige levenshouding ontwikkelt.

Na een overzicht van de geschiedenis van de levenskunst van Plato tot Foucault, gaat Dohmen in op de positie van de laatmoderne levensstijlen zoals vrij leven, spiritueel leven, Zen leven, deugdethisch leven, hedonistisch leven en esthetisch leven. Veel van die levensstijlen hebben praktische oefeningen (‘leren luisteren’), karaktereigenschappen (‘rechtvaardigheid’) of leefregels (‘weten wat er mogelijk is in het leven’) of zij manifesteren zich in verschillende personen, zoals het esthetische leven dat geleid kan worden door ‘de klassieke estheet’ (type Oscar Wilde), de dandy (type Pim Fortuyn), de dichter (op zoek naar de essentie, de kern van zichzelf) en de kameleon (type Madonna). Maar Dohmen gaat het om een ‘moraal van zelfverantwoordelijkheid’.

Moet het goede leven eerder diep, mooi of voortreffelijk worden ingevuld? Of is een aangenaam leven eigenlijk wel goed genoeg? Voor het eerst in de geschiedenis wordt deze opdracht niet opgevat als een moraal ‘van buitenaf’, maar als een moraal van zelfverantwoordelijkheid. (p. 129)

Het ‘aangename’ leven was voor Nietzsche, die de naderende massacultuur aan het eind van de negentiende eeuw verafschuwde en de opstand der horde vreesde, gelijk aan een ‘slavenleven’:

Zijn angst betrof de triomf van het kleine, slaafse leven, dat wezenlijk onverschillig staat tegenover de uniciteit van de eigen persoon en de kansen die het leven aan ieder mens biedt. (p. 131)

Nietzsche constateerde dat het vervallen van traditionele autoriteiten inhield dat de moderne mens ‘geen materiaal meer voor een samenleving’ was. Bildung was daarom voor hem van belang – niet te verwarren met de toenmalige opvoedingspraktijk die een soort militair dril-systeem was. Nietzsche wilde de vitaliteit van mensen stimuleren. Zij moesten hun levendigheid bewaren en zelf hun karakter ‘stijl’ geven. Verschillen zouden er blijven: sommige mensen konden ‘heren’ worden, andere zouden volgzaam bijven of karakterloos. Michel Foucault sloot hierop aan:

De nieuwe moraal is er een waarin mensen zichzelf de wet stellen en hun eigen leefregels bepalen. Het is een moraal zonder universaliteit. Het onderhouden van een dergelijke moraal van zelfzorg is verre van eenvoudig. Foucault heeft laten zien dat een eigen levenshouding bevochten zal moeten worden in de weerbarstige praktijk van alledag. Alleen wie consequent en levenslang aan zelfzorg en zelfbeheer doet en daarbij rekening houdt met de context, kan op termijn zijn ziel veroveren. (p. 145)

Daarbij:

Zelfzorg is een holistisch concept. Waarnemen, denken, voelen, willen en doen haken steeds op elkaar in, ze vormen een fundamentele samenhang. […] De zelfzorg moet alle dimensies in beschouwing nemen. (p. 147)

Levenskunst is een middel om te komen tot een overzicht van de eigen houding. Dat maakt de mens niet onkwetsbaar, maar wel weerbaarder. De onzekerheid van het bestaan leidt vaak tot minder goede levenshoudingen, zoals berusting, ontkenning, overdrijving, cynisme, sentimentalisme en fundamentalisme.

De juiste houding erkent de bestaansonderzekerheid en probeert hier een antwoord op te formuleren in de vorm van een intelligente vitaliteit. (p. 165)

Belangrijk is daarbij de persoonlijke autonomie, die een kritische reflectie op de eigen verlangens bewerkstelligt dat als een filter werkt dat alleen verlangens van een hogere orde doorlaat. Daardoor kan men nee zeggen dwang of valse voorstellingen van zaken en ja tegen goede en deugdzame zaken.

De nieuwe cultuur van zelfzorg is een stevige correctie op het moderne individualisme en sluit goed aan op de voelbare spanning tussen het actuele verlangen naar zelfverwerkelijking en de algemene behoefte aan verbondenheid. (p. 171)

Bezinning, zelfdiscipline en onderlinge afstemming van mensen zijn basisvoorwaarden in deze laatmoderne tijd. Dwangmatig streven naar geluk is geen optie. Dohmen stelt een minima moralia van de levensloop voor:

Neem tijd voor bezinning, oefening, motivatie en afstemming.
Houdt rekening met systeemdruk. Bezin je op de context van je actuele levensvorm en op de vele manieren waarop jouw levensweg allang is uitgestippeld.
Bewaak de diepgang van je leven. Tracht het spitsuur te vermijden. Als je veel soorten activiteiten tegelijk verricht, riskeer je de zin van je bestaan kwijt te raken.
Let op de fateful moments en op het kairos: wat is voor jou het juiste ogenblik om de koers te wijzigen?
Ontwikkel je eigen temporele deugdzaamheid. Leer opnieuw timen, uitstellen, vertragen, onthaasten, op tijd zijn.
Oefen in geduld (patientia). Terecht merkt Paul van Tongeren op dat onze tijd gekenmerkt wordt door ongeduld. ‘Alles wat we willen, willen we onmiddellijk.’ (p. 183).

All Posts
×

Almost done…

We just sent you an email. Please click the link in the email to confirm your subscription!

OKSubscriptions powered by Strikingly