• Interview ethisch perspectief

    Levenskunst of Filosofie als leidraad voor het leven Een gesprek tussen Katrien Schaubroeck en Joep Dohmen over zijn boek Brief aan een middelmatige man. [in: Ethisch perspectief 2011]

    KS: Het Feest van de Filosofie en bij uitbreiding de Maand van de Filosofie is gemotiveerd door de vraag welke rol filosofie kan spelen in de samenleving. Het werk van Joep Dohmen en in het bijzonder het boek Brief aan een middelmatige man vind ik een mooi voorbeeld van hoe die rol kan ingevuld worden. Brief aan een middelmatige man is immers een antwoord op een lezersbrief die vorig jaar verscheen in een Nederlandse krant, waarin een man de lezers om raad vraagt. Met zijn boek dient Joep Dohmen de man van antwoord.

     

    De lezersbrief gaat als volgt: Mijn middelmatigheid Mijn leven lang heb ik heel goed willen zijn in iets, willen uitblinken in het een of het ander, me willen onderscheiden van anderen, waardering willen oogsten voor iets wat ik beter kan dan anderen. Ik ben nu 50 en ik heb in de loop der tijd wel wat talentjes bij mezelf ontdekt, ik ben een beetje goed in dit en dat, Maar verder ben ik niet gekomen en dat is niet genoeg. Zeg niet dat ik mijn streven moet loslaten, want dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het zou immers beteken dat ik mij moet neerleggen bij mijn middelmatigheid. Dat is erg moeilijk. Misschien wel net zo moeilijk als onder ogen zien waarom ik zo graag heel goed wil zijn in iets. Accepteren? T. Van H. (50, man) Amsterdam

     

    ∗ Katrien Schaubroeck is als postdoctoraal onderzoeker van het NWO verbonden aan de Universiteit Utrecht waar ze werkt op het project ‘wat kunnen de geesteswetenschappen bijdragen tot ons praktisch zelfbegrip?’. Ze doctoreerde aan de K.U.Leuven in 2008 met een proefschrift over de bijdrage van Harry Frankfurt aan het analytische debat over praktische redenen. Ze publiceerde over de redenen van de liefde, morele opvoeding, filosofie-onderwijs, de vrije wil en de normativiteit van het recht. Samen met Thomas Nys redigeerde ze de eerste Nederlandstalige inleiding tot Harry Frankfurts filosofie (Vrijheid, Noodzaak en Liefde. Een kritische inleiding tot de filosofie van Harry Frankfurt. Pelckmans/Klement 2011).

     

    Deze brief is allicht herkenbaar voor veel mensen. Dohmen ziet de brief dan ook als symptomatisch voor onze tijd. Brief aan een middelmatige man laat zich lezen als een diagnose van wat er fout gelopen, van waar deze man aan lijdt. Toen ik de brief voor het eerst las, verwachtte ik eigenlijk een ander antwoord dan Dohmen biedt. Ik dacht: wel ja, aanvaard je middelmatigheid, dat is iets wat we allemaal moeten leren. De klacht van de man herinnerde mij aan een film van Sofia Coppola, een artieste van wie de films heel vaak die typische hedendaagse kwaal van de verveling en ontevredenheid met het zelf representeren. Lost in Translation is zo een film waarin een jonge vrouw, Charlotte (Scarlett Johanson) raad vraagt aan een oudere man Bob, een acteur van middelbare leeftijd (Bill Murray). Charlotte heeft een diploma filosofie op zak maar weet niet wat ze met haar leven moet aanvangen. Ze beschrijft die paar talentjes die ze heeft: ze kan wel wat schrijven en nadenken, ze probeerde ook al wat kunstfotografie uit, maar steeds opnieuw stoot ze op een erg storend besef: “I am so mean.” Bob luistert naar haar zorgen, en stelt haar gerust: “Mean is ok.” De middelmatige man worstelt met hetzelfde besef als Charlotte, maar Joep Dohmen zegt niet dat middelmatigheid ok is. Zijn antwoord aan deze man luidt anders: het droevige gevoel van middelmatigheid is niet iets waar hij zich moet bij neerleggen. Hij moet daar zien vanaf te komen. In uw boek roept u de man op om meer aan zelfzorg te doen, of meer de moraal van de levenskunst toe te passen. Waarom bent u zo streng, Joep Dohmen?

     

    JD: Omdat je in dit geval streng moet zijn. Laat me eerst nog even de context van deze lezersbrief schetsen. Deze brief verscheen in een column waar de redactie lezers uitnodigt om levensvragen te stellen waar andere lezers dan op reageren. Aan die reacties zag je dat vele lezers dachten: die man heeft een midlife crisis, of een depressie, zijn probleem werd met andere woorden gepathologiseerd. Anderen spoorden hem aan om niet op te geven. Maar ik vond die antwoorden niet erg waardevol en wou een veel beter antwoord bedenken. Er waren minstens drie dingen aan de brief die mij niet bevielen. Ten eerste de manier waarop die man tegen zichzelf aankijkt: hij heeft nooit goed nagedacht over wat hij werkelijk wil. Ten tweede zijn relatie met andere mensen: hij wil maar één ding, namelijk beter zijn dan anderen. Ten derde heeft hij geen horizon: er is niet iets groter dan zichzelf (zoals het milieu, rechtvaardigheid, zorg voor anderen). Kijk, ik pretendeer niet dat ik meer van het leven weet dan anderen… Maar deze drie bezwaren kwamen meteen in me op toen ik de brief las, en die vind ik zeer belangrijk. Ik ken die man helemaal niet en ik ben ook niet echt geïnteresseerd in hem; ik vind de brief interessant, omdat er iets in die brief is dat een snaar raakt. Mijn boek is daarom ook niet echt een antwoord aan die ene man, maar een analyse van hoe moderne mensen blijkbaar in het leven staan. Die lezersbrief is voor mij een symbool voor de moderne, neoliberale levenswijze. Veel van de gemeenschap losgezongen, geïndividualiseerde mensen dreigen terecht te komen in een moraal van middelmatigheid. Het begrip middelmatigheid gebruiken we vaak in de sport of in het onderwijs, als een functioneel begrip om de prestaties van iemand of iets te meten. Maar met betrekking tot zingeving krijgt het begrip middelmatigheid een heel andere invulling. Mensen ervaren zichzelf als middelmatig omdat ze er niet in slagen anderen te overtreffen, omdat ze er 3 3 niet in slagen maatschappelijk gewaardeerde prestaties te leveren, omdat ze geen idool zijn, omdat ze er niet uitspringen, en daarom beschouwen ze hun leven als zinloos. En ik denk dat ik dat ook zinloos zou vinden. Daarom ben ik streng. Daarom vind ik het belangrijk die brief te beantwoorden en te zeggen dat middelmatig niet ok is.

     

    KS: Er is dus een bepaalde soort van middelmatigheid die we niet zouden moeten aanvaarden, een gevoel van middelmatigheid dat u koppelt aan een ondermaatse manier van leven. U zegt aan deze man dat hij moet ophouden als slaaf te leven. Deze aanmaning doet meteen denken aan Nietzsches kritiek op de slavenmoraal. Nietzsche noemde zijn tijdgenoten ‘slaven’ omdat ze te veel een slachtofferrol speelden. Hij stelt daar een herenmoraal tegenover, en hoewel u ons niet aanspoort om Ubermensch te worden, past u ook in het rijtje van de filosofen die een Bildungsmoraal voorstaan. Moraal heeft te maken met zichzelf ontplooien. Dat heeft u alvast gemeen met Nietzsche, maar gaat de gelijkenis nog verder?

     

    JD: Ik schreef mijn proefschrift over Nietzsche en de menselijke natuur in de jaren ‘80, toen er in het filosofische landschap een discussie plaatsvond tussen wat je zou kunnen noemen de subjectivisten (filosofen die in een humanistisch discours mensen aansporen om hun lot in eigen handen te nemen, zoals de existentialisten) en de anti-humanisten (filosofen van allerlei pluimage, van hegelianen tot heideggerianen). Ik las Nietzsche om uit dit dilemma te komen, maar ik stelde vast dat Nietzsche tweeslachtig is. Enerzijds spoort hij aan tot een soeverein leven met motto’s zoals ‘word wie je bent’, maar anderzijds is hij ook erg kritisch over subjectiviteit: het ‘ik’ bestaat niet, wij worden gedaan. Door het mensenleven op te vatten als een proces van onteigening en toe-eigening, zoekt Nietzsche naar een uitweg uit het slavenleven. Ik heb gezocht naar auteurs die een zelfde soort traject als Nietzsche afleggen, en als vanzelf kwam ik bij Foucault uit, wiens bestaansethiek een poging is uit te breken uit net zijn geharde antihumanisme. Dus in die lijn plaats ik mijn morele theorie.

     

    KS: Michel Foucault is een sleutelfiguur in uw werk. In het boek noemt u het volgende citaat van Foucault één van uw mantra’s: ‘Waarom zou niet iedereen een kunstwerk van zijn leven kunnen maken? Waarom is die lamp, dit huis wel een kunstwerk en mijn leven niet?’ Ik kan voor de vuist weg twee antwoorden bedenken op die vraag. Ten eerste staan mensen middenin hun leven, ze kunnen er niet naar kijken zoals naar een lamp. En ten tweede is ons leven nooit af terwijl een kunstwerk kan voltooid worden zodat je het kan beoordelen als geslaagd of niet. Het is niet zo evident om het leven als een kunstwerk te gaan benaderen – maar u heeft wel veel sympathie voor die idee?

     

    JD: Zeker. Maar ook hier is het weer zo dat de woorden ons parten spelen. Het leven als kunstwerk, wat zou dat kunnen zijn? Bij kunstwerken denken we aan een schilderij, een muziekstuk, een film… Het leven als beeldhouwwerk is een zeer klassieke metafoor. Bij Plato, Plotinus, Montaigne, Nietzsche vind je voortdurend deze metafoor om jezelf als beeld te houwen. En ook Foucault heeft dus die metafoor gebruikt bij zijn art d’existence, art de vivre. De term is echter verraderlijk. Ik merk aan den lijve dat de term levenskunst, en mijn werk 4 4 daarover alleen al vanwege de terminologie makkelijk fout begrepen wordt. Dan wordt het in het hoekje geduwd van de lifestyle-magazines, en de esthetisering van het leven. Maar het begrip van een kunstwerk heeft ook connotaties die ik wel verwelkom. Het roept gedachten op aan creativiteit, vaardigheid en techniek, aan de urgentie om mee te werken aan de vormgeving van je leven. Tot op zekere hoogte is de bekende associatie van een project dat kan mislukken of slagen, van een leven dat meer of minder kwaliteit kan bezitten, onontkoombaar. Dat zit er allemaal in en daarom vind ik Foucaults idee van het leven met een kunstwerk wel terecht, zolang we ons maar bewust zijn van de valkuilen van de taal. Maar natuurlijk is het leven geen product zoals een lamp of een huis. Foucault was de langste tijd van zijn leven per se geen ethicus. In zijn hele oeuvre zitten weliswaar diepe normatieve aspecten, maar voor Foucault was de subjectiviteit of persoonlijke identiteit het resultaat van invloeden vanuit economie, de taal, de epistèmès, kortom maatschappelijke en culturele invloeden die een mens tot die en die mens maken. Vanaf 1975-76 merk je echter een gestage wending, dat lees je ook in zijn voorwoord bij L’usage des plaisirs. Onder invloed van Paul Veyne, Peter Brown en Pierre Hadot richt hij zijn aandacht minder op de invloeden die we ondergaan, en meer op de manier waarop we op die invloeden reageren, hoe we die recupereren en proberen ze reflexief en al oefenend te onderscheppen. In die periode trekt hij zich terug uit het publieke leven en legt zich toe op studies van de klassieke Oudheid. In het verlengde van zijn genealogie van de seksualiteit ontdekt hij dat er in de Oudheid zoiets als een brede cultuur van het zelf heeft bestaan. Socrates zegt: ken jezelf; Aristoteles spoort aan: zoek het juiste midden; Plato schrijft voor: richt de blik op het goede; Epicurus leert dat sommige genietingen goed zijn en andere niet en dat het er in het leven om gaat daartussen onderscheid te maken; de Stoa predikt een ideaal van onverstoorbaarheid en aandacht… Je zou al deze filosofieën vormen van een soort geluksethiek kunnen noemen, maar ethiek wordt dan opgevat als in eerste instantie een poging om te leren omgaan met jezelf. Dat noemt Foucault, zeer treffend, met de titel van zijn laatste boek, le soucis de soi, de zorg voor zichzelf. Foucault vond in de periode van eind jaren ‘70 dat in het liberale tijdsgewricht mensen geen bijpassende moraal hebben om zichzelf weerbaar te laten maken en te zorgen dat ze niet verzinken in het leven van een middelmatige man. Dus hij ging op zoek naar een levenskunst of bestaansethiek voor vandaag. Omwille van zijn dood in 1984 heeft hij dat project niet kunnen voltooien. Vlak voor zijn dood zijn twee boeken verschenen over Griekse en Romeinse levenskunst. Een derde boek ligt in Poitiers in een kluis tot 2050 – dat gaat over christelijke levenskunst, en men was bang dat daar al te dubieuze dingen zouden kunnen instaan afkomstig van een man van katholieke huize. In die boeken geeft Foucault een paar aanwijzingen over wat moderne levenskunst zou kunnen zijn: een poging om in eerste instantie niet de zorg voor de ander op je te nemen maar om aan zelfzorg te doen. De christelijke moraal is uiteraard erg complex, maar het kan niet ontkend worden dat de klemtoon ligt op naastenliefde, zelfverloochening, uitdoving van de wil, en dat is een heel andere benadering van moraal dan de Griekse en de Romeinse. In die evolutie en in de verwetenschappelijking van de moderniteit, zijn 5 5 we de zelfbetrekking kwijtgeraakt, zegt Foucault. En inderdaad, het valt op dat we nog steeds de reflex hebben om moraal louter met altruïsme en solidariteit te verbinden. Waarom zou moraal niet ook te maken kunnen hebben met geestelijke weerbaarheid en autonomie? Dat betekent niet dat de ander uitgesloten wordt – maar dat moraal gericht is op persoonlijke en andermans zelfzorg.

     

    KS: Zeggen dat je voor jezelf moet zorgen is één ding, maar hoe dat moet, is een ander. Tijdens het lezen van uw boek vroeg ik me af of levenskunst een kwestie is van worden wie je bent of van worden wie je wil zijn? In het eerste geval: hoe weet je wie je bent? En in het tweede: wat zijn de criteria om te beslissen wie je wil zijn? Hoe geef je je wil en/of jezelf vorm? Hoe doe je dat? En hoe doe je het goed? Met andere woorden: zelfs al aanvaarden we dat we aan zelfzorg moeten doen, de vraag blijft hoe je dat doet.

     

    JD: Ja, dat is de hamvraag. Een eerste probleem dat ik uit de weg wil ruimen is de associatie van deze vraag met het advies dat je vindt in allerlei zelfhulpboeken, die soms onnozel zijn, en over het algemeen weinig samenhangend of doordacht. Psychologie komt deels uit de filosofie voort dus het hoeft geen verbazing te wekken dat psychologen de vraag naar zelfzorg ook stellen, maar de populaire psychologische literatuur lijkt te veel op een verzameling van receptenboeken. Ik wil een praktische filosofie ontwikkelen, dus ook ik wil dat wat ik schrijf praktische relevantie heeft, maar anderzijds merk je als lezer van mijn boeken snel dat het niet om een kookkunst gaat, zo werkt het niet. Bovendien zijn psychologen zelden geïnteresseerd in intersubjectiviteit of gesitueerdheid en filosofen wel. Zoals ik zei heeft Foucault zijn project niet kunnen afwerken, maar hij heeft wel een interessant schema ontwikkeld dan wel overgenomen uit de Oudheid. In elk geval bestaat dat zelfzorgschema uit 4 componenten: 1. waaruit bestaat zelfzorg of wat is het object van de zorg?, 2. waarom draag je zorg voor jezelf? Door welke directieven uit je cultuur word je ertoe aangemaand?, 3. hoe zorg je voor jezelf, met wat voor middelen ga je aan het werk? 4. welk doel heeft de levenskunst, wat wil je worden? Jij vraagt me naar het hoe, naar de middelen, en dat kan van alles zijn: een gesprek, een monoloog, een therapie, een reis, een goede nachtrust... Foucault benadrukt dat de aspecten van het wat, waardoor, hoe en waartoe nauw samen hangen. In het ‘waardoor’zit het anti-humanistische aspect van Foucault. Daar zit mi. een probleem bij Foucault. In feite geeft hij geen antwoord op jouw vraag: hoe weet je wie je wil zijn? Het punt van motivatie is immers bij hem zwak ontwikkeld, dat is zijn grondprobleem. Intussen beseft hij wel heel goed dat elke levenskunst gesitueerd is. We nemen steeds onze levens ter hand in een context, waar we een partner hebben of niet, waar we veel of weinig geld hebben, en in een samenleving van waar bepaalde directieven tot ons komen. Dus de levenskunst is in elk geval geen atomaire, van een maatschappelijke context losgezongen ideologie. 6 6

     

    KS: En daar zou ik graag bij aanknopen, want dat lijkt me een belangrijk punt. Er zou een misverstand kunnen rijzen naar aanleiding van het feit dat levenskunst benadrukt dat ik moet nadenken over wie ik wil worden. U heeft zonet ontkend dat levenskunst een atomaire moraal zou zijn. En in uw boek plaatst u zichzelf niet enkel in de traditie van de Bildungsmoraal maar ook in de traditie van de sociale zelfverwerkelijking. Niettemin, de opdracht van de levenskunst luidt dat ieder voor zich moet nadenken over wat hij/zij wil doen. Dat lijkt me een distinctief en essentieel aspect van levenskunstethiek, waarin het bijvoorbeeld verschilt van deugdenethiek. Uw onvrede met de deugdenethiek lijkt me te zijn dat er te weinig aandacht is voor het toeeigenen van deugden, voor het gevaar dat mensen zich conformeren naar deugden zonder erover na te denken hoe belangrijk die deugden voor hen zijn. Dus het lijkt erop dat die individuele, actieve zelfcreatie een belangrijk kenmerk van de levenskunstethiek is. Maar hoe ‘self-made’ kan een mens eigenlijk zijn? En waarom is het zo belangrijk om op het einde van de rit te kunnen zeggen: ik heb het helemaal zelf gedaan?

     

    JD: Deze vraag is complex en gaat terug op een eeuwenoud debat. De levenskunstfilosofie komt uit de traditie van Nietzsche en Foucault, en dat zijn zeker geen liberalen. Ze oefenden nu juist scherpe kritiek uit op het atomaire liberalisme. Maar anderzijds verhouden ze zich zeer kritisch ten opzichte van elke traditionele gemeenschapsfilosofie, en daarom laden ze onmiddellijk de verdenking op zich dat ze zelf ook atomaire theorieën zouden verdedigen. Dat is volgens mij niet zo. Maar ik denk wel dat het er voor hen, en ook voor mij, in laatste instantie om gaat dat een verlicht mens in zijn leven beslissingen neemt, wegen inslaat, waarden volgt, deugden aanhangt, enz. – het is het concrete individu dat al die dingen in laatste instantie doet. Maar daar gaat natuurlijk heel veel aan vooraf. Er is hier een discussie gaande tussen een filosofie van de subjectiviteit en een filosofie van de intersubjectiviteit. Het werk van de late Foucault en Nietzsche zou je kunnen zien als een vorm van subjectfilosofie, maar dan zijn het geen subjectfilosofieën die zeggen dat het ik vooraf gegeven is, dat de ander geen rol speelt noch dat de ander alleen maar een bedreiging vormt. Maar ze zeggen wel dat je op een bepaald moment in je leven te midden van anderen en in dialoog met anderen, moet nadenken over waarom je leven loopt zoals het loopt, bijvoorbeeld over waarom je een psychische problematiek hebt waarin je jezelf onbewust en prereflexief geïdentificeerd hebt met het trauma van je vader. Je merkt dat je met een zekere zwaarte door het leven gaat. Het gaat er dan niet om dat je die zwaarte volledig kunt uitdrukken of doorgronden, en volledig transparant wordt voor jezelf – maar wel dat je er een zekere mate van hermeneutiek, omgang mee hebt. En het is ook zo dat je op grond daarvan iets kunt doen: in therapie gaan, een huwelijk wel of niet aangaan… De ander figureert altijd in zowel de oorzaak als de oplossing van je persoonlijke leven, maar jij bent wel diegene die de problemen moet benoemen en aanpakken. Bij het verder ontwikkelen van het gedachtegoed van Foucault heb ik gemerkt dat het onduidelijk is welke rol intersubjectiviteit bij hem precies speelt. Ik vind hem minder op zijn hoede voor de ander dan sommige liberale denkers, zoals bijvoorbeeld Peter Bieri. Deze Duitse 7 7 filosoof schreef een zeer leesbaar interessant boek Handwerk van de vrijheid over de ontwikkeling van onze wil en onze verlangens. Volgens hem (en zijn voorbeeld Harry Frankfurt) moeten we nagaan wat onze wensen zijn, ze articuleren, ze begrijpen en uiteindelijk zeggen: dat is wat ik wil. Bij Bieri speelt de ander een externe rol, de ander is hoogstens een instrument voor de vervulling van mijn verlangens. In Brief aan een middelmatige man laat ik zien dat je de zelfzorg complexer moet denken. Daarvoor heb ik geen beroep gedaan op de deugdethiek, niet omdat ik zou denken dat het ontwikkelen van deugden niet belangrijk is voor moderne mensen (vroeger heb ik zoiets wel gedacht vanuit een argwaan tegen het conservatisme, en heb ik inderdaad Aristoteles, MacIntyre en Van Tongeren teveel opzij geschoven maar ik ben daarvan teruggekomen) Goede gewoontes, loyaliteit, het juiste midden ten aanzien moed, rechtvaardigheid, tolerantie – op al deze punten is deugdethiek erg belangrijk en juist. Maar deugdethiek ziet één belangrijk punt over het hoofd, en dat is de oriëntatie van ons leven: welke kant willen we met ons leven op, wat vinden we werkelijk van belang? Die vraag wordt door de deugdenethiek ten onrechte niet geadresseerd. Het bezwaar dat jij zonet adresseerde aan de zelfzorgethiek zinspeelt op een reëel gevaar. Het risico van de zelfzorgethiek is namelijk dat het een defensieve, zelfgerichte ethiek dreigt te worden, louter gericht op weerbaarheid en beheersing. Maar in wezen verschilt zelfzorgethiek fundamenteel van bijvoorbeeld de stoïcijnse ethiek, die kwetsbaarheid poogt te ontkennen of een strategie van ultieme beheersing te vinden. Zelfzorgethiek probeert juist manieren te vinden om met de eindigheid om te gaan – wij zijn eindig niet enkel in de absolute zin dat we doodgaan maar ook omdat we voortdurend afscheid moeten nemen doorheen ons leven: van mensen, van projecten, van kinderen, van iets wat we heel graag willen, van een staat van gezondheid. Zelfzorg gaat om het leren omgaan met dingen die je niet kunt beheersen, met je eigen kwetsbaarheid, waarbij anderen, zoals Nussbaum mooi laat zien, vaak een grote rol spelen . Het is heel verleidelijk om over het leven te denken als een reis van A naar Z. Maar ons leven is van meet af aan een reis waarin we ook verwikkeld zitten in andermans trajecten, waarin we stukjes van andermans reizen meegaan: soms staan we aan het stuur, soms zijn we passagier. Daarom ben ik heel gevoelig voor de dimensie van intersubjectiviteit, en heb ik het volgende idee ontleend aan de feministische zorgethiek: waarom zouden we ons leven voortdurend in termen van defensieve autonomie moeten zien, waarom niet ook als een traject waarin we voortdurend in verschillende projecten verwikkeld zijn? Margaret Urban Walker bijv. spreekt over ‘een geografie van verantwoordelijkheden’. Ik vind dat een buitengewoon boeiend perspectief op het leven: ingebed in netwerken van verantwoordelijkheden ten aanzien van anderen en onszelf. Maar ter aanvulling op deze feministische analyse vind ik het dan weer belangrijk dat een individu met recht kan zeggen: ‘tot hier en niet verder, nu leun je te veel op mij waardoor je zelf niet vooruitkomt, hier loigt jouw eigen verantwoordelijkheid, ik doe iets anders.’ In het boek beargumenteer ik dat zelfzorg een voorwaarde is voor het goed zorg kunnen dragen voor anderen en andersom. 8 8

     

    KS: Wanneer we ons bewust worden van onze kwetsbaarheid, komen andere mensen inderdaad als vanzelf in beeld. Dat afhankelijkheidsbesef is mede dankzij de inspanning van de zorgethiek meer op de voorgrond getreden in het denken over moraal en het goede leven, en door dat aspect binnen te halen, maakt u ruimte voor de ander in de levenskunstethiek. Maar ik vraag me af of de ander niet ook nog op een ander niveau van zich laat spreken, en of de levenskunstethiek daar genoeg aandacht voor heeft. Uw advies aan de middelmatige man is ‘wees geen slaaf ‘ en dan volgt daarop ‘doe goed wanneer het er werkelijk toe doet’. Maar wanneer doet het er werkelijk toe? Is dat hetzelfde als wanneer de man denkt dat het ertoe doet? Stel dat iemand volledig tevreden is met een leven gewijd aan computerspelletjes. Haar partner leert met haar afwezigheid te leven en is tevreden als zij gelukkig is. En zij zelf geeft toe dat het een beetje een verslaving is, maar tegelijk zegt ze dat die computerspelletjes voor haar werkelijk belangrijk zijn. Andere mensen zouden echter kunnen denken: doet dat er nu werkelijk toe? En dit is nog een onschuldig, triviaal voorbeeld, maar er zijn ook mensen die immorele dingen belangrijk vinden. Als levenskunst een moraal wil zijn, moet die daar ook iets over zeggen. Volstaat het werkelijk om een goed leven te leiden dat je leven in overeenstemming is met wat jij belangrijk vindt? Heeft het subject het laatste woord?

     

    JD: Aan zelfzorg zitten vele kanten. Er zit een aspect aan van aandacht, van contemplatie, van reflectie. Zonder dat lukt het niet. Socrates had gelijk: een leven zonder zelfonderzoek is het niet waard geleefd te worden. Een ander aspect is dat van het oefenen van vaardigheden. Ook de context speelt een rol, en dan natuurlijk het temporele aspect, bijvoorbeeld ook hoe oud je bent en welke verwachtingen je nog hebt voor het leven. Maar het hart van de levenskunst is inderdaad de morele psychologie, motivatie, het complexe actorschap. En jouw vraag is eigenlijk: is onze normatieve motivatie subjectief, intersubjectief of objectief? Mijn antwoord is: alledrie. Een mens kan van alles belangrijk vinden in zijn leven, maar dan ontmoet hij een ander en zij trouwen en er ontstaat een dialoog over wat voor hun beiden een waardevol leven is. de een vindt van wel en de ander niet, en bovendien leven ze al dan niet in een (sub)cultuur waarin het krijgen van kinderen niet belangrijk of heel belangrijk of willekeurig is… Willen zij geen middelmatig huwelijk, dan moeten ze nadenken over wat ze belangrijk vinden, in onderlinge dialoog en met betekenisvolle anderen. Om te weten te komen wat er werkelijk toe doet, moeten mensen op verschillende niveaus die vraag stellen. Als het subject het laatste woord wil hebben, moet het een goed antwoord zijn in een betekenisvolle dialoog. In verband met de rol van de ander zou ik nog willen opmerken dat het belang van erkenning niet ontbreekt in de levenskunst. Of mijn leven geslaagd is, of als geslaagd ervaar, hangt toch in belangrijke mate af van de erkenning die ik van anderen krijg, en niet enkel van of ik erin slaag het te leven naar eigen goeddunken. Ik vind het bijv. opvallend dat het leven van de protagonist uit Peter Bieri’s Nachttrein naar Lissabon zo onbevredigend is, net omdat erkenning erin ontbreekt. Dit personage is getrouwd, gescheiden, en werkt als een hele goede docent klassieke talen. Maar hij ervaart zijn leven als kaal, leeg. En als lezer stel je vast dat die man eigenlijk alleen maar mensen tegenkomt, hij wordt niet gedragen door mensen die hem erkennen. 9 9 Nachttrein naar Lissabon is in dit opzicht een heel Sartriaans, Hobbesiaans boek: de ander is altijd een beetje gevaarlijk. Ik ben veel minder wantrouwig dan Peter Bieri, en ik laat de ethiek van de zelfzorg en zorg voor de anderen kruisen, dat sociale aspect ontbreekt niet uit mijn conceptie van het goede leven.

     

    KS: Heeft u ook concreet advies? Het is mooi gezegd: je moet zorg dragen voor jezelf – maar hoe begin je daaraan? Kan iemand je daarbij helpen? Kunnen filosofen daarbij helpen? De samenleving?

     

    JD: Jazeker, ik denk dat daar meer maatschappelijke aandacht voor moet komen, en dat filosofen daarbij een rol kunnen spelen. Ik denk bijvoorbeeld dat er een belangrijke taak weggelegd is voor filosofie als vak op school. De problemen waar jongeren tegen aanlopen zijn complex: ze ondervinden problemen met gezag, met genotsmiddelen, met hun eigen lichaam, met hun identiteit als allochtoon of autochtoon. Ze moeten zich, net als iedereen, verhouden tot die moderne problemen, maar anders dan vroeger zijn ze niet tevreden met een antwoord vanuit de religie. En ook het antwoord van hun ouders nemen ze natuurlijk niet zomaar meer voor waar aan. Het is belangrijk dat jonge mensen weerbaar gemaakt worden, dat ze kans krijgen om een dialoog te voeren over die levensvragen en een visie op levensstijl te ontwikkelen. Op school, binnen een vak filosofie kan dat, en als dat goed gebeurt dan hebben jongeren aandacht voor de vormgeving van hun leven en oefenen ze zich in hun eigen levenskunst. Ook aan de andere kant van het spectrum ontbreekt het volgens mij aan aandacht voor levenskunst, namelijk een levenskunst voor de tweede helft van het leven. Moderne vijftigers zitten daar in een villa te wachten op de dood en moeten nog dertig jaar leven. De job is bijna voorbij, de kinderen zijn de deur uit, het huwelijk is een beetje uitgeleefd. Hoe moet je dan leven? De psychiater Jung merkte reeds in de vorige eeuw op dat er nood is aan een agenda voor de tweede levenshelft. En Simone de Beauvoir schreef in het slot van La vieillesse hoe gruwelijk het is dat, eenmaal de vijftig gepasseerd, we denken dat ons leven voortaan moet opgaan in ‘hobby’s’. Dat is natuurlijk niet zo, en daarom schreef ik het boek De kunst van het ouder worden. KS: Ter afsluiting wil ik teruggrijpen naar iets wat u in het begin zei, namelijk dat u als filosoof niet pretendeert beter te weten wat voor anderen het echte leven is. De idee achter uw werk lijkt me eerder dat alle mensen, jong en oud, zelf aan het filosoferen zouden moeten gaan om uit te zoeken wat voor hen belangrijk is en zodoende te weten te komen wat hun echte leven is. Op die manier verheft de levenskunstethiek filosofie tot leidraad voor het leven. Op die manier kan filosofie helpen om het gevoel van middelmatigheid te boven te komen.

     

    *Prof. dr. Joep Dohmen is cultuurfilosoof. Hij is hoogleraar wijsgerige en praktijkgerichte ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Hij publiceert over morele educatie, levenskunst, zorgethiek en goed ouder worden. 10 10 Recente publicaties zijn Tegen de onverschilligheid (2007); Het leven als kunstwerk (2008); De kunst van het ouder worden (2010); Brief aan een middelmatige man (2010); De prijs van de vrijheid (2011).

  • Interview Filosofie Magazine

    Door: Frank Mulder en Freek KosterFM nr. 10/2010
    Joep Dohmen is boos. Overal ziet hij middelmatigheid, consumentisme en een lege vrijheidsdrang. ‘We hebben huizen bomvol spullen, maar onze levens zijn een puinhoop.’

    Anderhalf jaar geleden stuurde een zekere T. van H. een brief aan Volkskrant Magazine. ‘Mijn hele leven heb ik heel goed willen zijn in iets’, aldus T. ‘Ik heb me willen onderscheiden van anderen, waardering willen oogsten voor iets wat ik beter kan dan anderen.’ Het mocht niet baten. Op zijn vijftigste is zijn leven het toonbeeld van middelmatigheid. Hij weet niet hoe hij verder moet.


    Herkenbaar, die T. Iedereen is op zoek naar erkenning in deze jachtige maatschappij. Iedereen droomt er weleens van de middelmaat te ontstijgen en die five minutes of fame te pakken. Wij wel, in elk geval.


    ‘En tachtig procent van de mensen met jullie’, zegt Joep Dohmen. Hij is ethicus aan de Universiteit van Humanistiek en heeft naar aanleiding van deze brief het boek Brief aan een middelmatige man geschreven, gericht aan T. en al die andere middelmatige Nederlanders zoals wij. ‘Die brief is symptomatisch voor de volstrekt ondeugdelijke levensvisie die we overal om ons heen zien. Dat je pas iemand bent als je je onderscheidt van anderen, als je anderen kunt overtroeven – daar maak ik gehakt van in mijn boek!’


    Dohmen komt in zijn boek met niets minder dan een nieuwe publieke moraal. Hij pleit voor zelfontplooiing, sociale zelfontplooiing welteverstaan. Hij wil daar wel over praten, maar onder voorbehoud. ‘Ik ben de middelmatigheid echt zat. Dat geldt dus ook voor interviews. Als het weer zo’n waterig verhaal wordt, zogenaamd om lezers aan te spreken, gaat de publicatie niet door. Ik doe niet meer mee met die oppervlakkigheid.’

     

    U bent wel boos.


    ‘Jullie zijn in deze tijd opgegroeid, dus jullie zien het misschien niet eens. Maar wie nog nooit in de Mediamarkt is geweest, zoals ik, en er dan op zaterdagmiddag een snoertje voor zijn scheerapparaat komt kopen, ziet precies waarop de emancipatie van de laatste zestig jaar is uitgelopen. Ik werd onder de voet gelopen door een on-ge-hoorde mensenmassa, tussen een on-ge-hoorde hoeveelheid spullen – scheerapparaten, wasmachines, magnetrons, dvd-spelers, telefoons, iPods, ga zo maar door. Een onbeperkte toegang tot alles wat je maar wilt hebben.’

     

    Wat is daar precies mis mee?


    ‘De illusie dat deze grenzeloze vrijheid, zonder moraal, echte vooruitgang is. In het katholieke Tilburg, waar ik zestig jaar geleden werd geboren, heb ik zelf meegemaakt hoe de welvaart toenam en de samenleving zich ontworstelde aan de verstikkende kaders. Dat was heel goed, en ik zie de waarde van mooie techniek wel degelijk in. Ik scheer me ook graag elke dag. Maar daarmee heb je nog geen kwaliteit van leven. De neoliberale ideologie van de markt en de media houdt ons elke dag voor dat dit het ware geluk is. Je huis staat bomvol spullen, maar je leven is een puinhoop. Hoe kun je in een wereld zonder moraal nog een zinvol leven leiden?’

     

    Dat vragen we weleens aan onze coach, maar een bevredigend antwoord hebben we nog nooit gekregen.
    ‘Kijk! We verwachten het heil van wetenschap en techniek, maar die kunnen er niet voor zorgen dat de wereld van de Mediamarkt vrije en aardige mensen voortbrengt. Die wereld brengt individuen voort die allemaal een opvallend kunstje willen leren en dan bij De Wereld Draait Door aanschuiven.’

    Dat is nou eens een leuk programma.
    ‘Niet waar. Het is werkelijk het aller-allermiddelmatigste programma dat er bestaat. Ja, schrijf dat maar op! Erger kan bijna niet. Met Pauw & Witteman op twee. Het is pudding, het is waterverf – quasi-intellectuelen die doen alsof ze erbuiten staan, maar in feite de strijd hebben opgegeven. Ik zou daar nooit willen zitten. Pretentieus semi-amusement, omwille van de kijkcijfers.’

     

    Dan wilt u niet weten hoeveel mensen er naar Henkjan Smits kijken.


    ‘Wie is dat?’

     

    De man van de X Factor.


    ‘Vreselijk, ja, precies wat ik bedoel. Henkjan Smits, de profeet van de rubbish. Dat soort mensen zouden we met alle mogelijke middelen moeten bestrijden. Ik ben in oorlog tegen de Henkjan Smitsen van de wereld die met hun spelletjes de jeugd om zeep helpen. Mensen zullen me wel elitair vinden. We moeten ook elitair zijn, en iets beters bedenken, zodat we een tegencultuur kunnen vormen.’

    Het leven is soms wel middelmatig, maar of het echt zo erg is…


    ‘Jullie leven misschien nog in de illusie dat je wel zult ontsnappen de komende twintig jaar. Maar dan kom je erachter dat Michel Houellebecq gelijk heeft en dat je op je vijftigste harakiri kunt plegen omdat je vijftig weken per jaar moet werken om twee weken op seksvakantie in Thailand te mogen. Ik ben geen cultuurpessimist, maar we moeten echt werken aan een nieuwe publieke moraal.’

     

    Door u ontwikkeld.


    ‘Ik heb de afgelopen tien jaar gewerkt aan een bestaansethiek. Die bestaat uit twee elementen. Ten eerste uit de notie dat vrijheid heel belangrijk is, maar veel moeilijker te verwerven dan we denken. Ik heb van Foucault geleerd dat het om een vrijheidspraktijk gaat. Ten tweede dat vrijheid geen doel in zichzelf is. Waarden als zorg, verbondenheid en rechtvaardigheid overstijgen de vrijheid. Rechts heeft altijd de vrijheid verdedigd en links de solidariteit. Maar ze horen bij elkaar! Dan is het leven pas werkelijk zinvol. Ik zoek een middenweg tussen beide extremen, en dat is sociale zelfontplooiing.’

    Maar hoe doen we dat, als we midden in deze Mediamarkt zijn opgegroeid, zonder moreel kompas? Waar moeten we in ’s hemelsnaam beginnen?
    ‘Bij jezelf natuurlijk. Vraag je af: wat wil ik met mijn leven? Hoe ben ik hier terechtgekomen? Maak pas op de plaats en ontdek in welke kooi je opgesloten zit en hoe lang je dat nog wilt volhouden. Zoals Kierkegaard zei: je moet het leven achterwaarts begrijpen om het voorwaarts te kunnen leven. Je bent verantwoordelijk voor jezelf.’

     

    We hebben weleens een cursus mindfulness gedaan. Dat is ook geïnspireerd door Kierkegaard, lazen we in de Flow.


    ‘Jaja, en The Secret gaat zeker terug op Plato? Al die Amerikanen – en vergeet Coelho niet met z’n woestijntocht – hebben bericht gekregen van de geheime uitgang, je “diepste laag” waar je naar op zoek zou moeten. Geouwehoer. Zo’n diepste kern bestaat helemaal niet.’

     

    Nee?


    ‘Nee. We zijn een verlangenmachine, dag en nacht, en daar moet je de vinger achter proberen te krijgen. Je wilt eten, drinken, muziek, seks, maar ook: vriendschap, werken, je leven doorbrengen met iemand. Het gaat erom die verlangens te ordenen, te begrijpen, en je af te vragen wat je nu eigenlijk echt zelf wilt. Je moet leren om ergens achter te staan, en dat vervolgens in praktijk brengen. Door je je wil toe te eigenen, word je vrijer.’

    En als we erachter komen dat we iets anders willen dan waar we nu zitten?


    ‘Dan moet je overwegen om over te stappen op een ander spoor, om de mooie beeldspraak te gebruiken uit Nachttrein naar Lissabon van Peter Bieri. Opnieuw beginnen is niet voor niets populair tegenwoordig. Er zijn zoveel mensen die het helemaal gehad hebben en eruit stappen. Ze gaan op zoek naar een beter leven.’

     

    Met achterlating van partners, kinderen, collega’s. Hebben we daar geen verantwoordelijkheid voor dan?


    ‘Dat is een zeer terechte vraag. Onze relatie met anderen is heel belangrijk, en daarom wijd ik een heel hoofdstuk aan de zorgethiek. Die is door feministen ontwikkeld als reactie op de neoliberale macho-ethiek. Uiteindelijk, zeggen mensen als Margaret Walker, levert alleen vrijheid vooral grote ego’s op. Vrijheid moet boven zichzelf uitwijzen. Mensen kunnen niet zonder waardering en sympathie. Tien jaar geleden zou ik dat niet serieus hebben genomen, maar ik ben er intussen wel achter dat dit onontbeerlijk is.’

     

    Vrijheid én verantwoordelijkheid dus. Dan bent u zeker wel blij met het nieuwe kabinet!


    ‘Nee! Dit kabinet heeft met vrijheid en verantwoordelijkheid helemaal niets meer van doen, het is het kabinet van Veiligheid en Groei. Wilders zegt het letterlijk: “Ik heb niks met binding.” Het CDA-congres was het einde van de christelijke politiek, ze zijn moreel failliet. En de VVD jaagt alle sociaal-liberalen weg. “Schouder aan schouder” naar een ultrarechtse samenleving. Ik vecht voor een andere publieke moraal.’

     

    Hoe moeten we zo’n moraal van vrijheid en verantwoordelijkheid voor ons zien?


    ‘We moeten ons een cultuur van zorg eigen maken, waarin we aandacht hebben voor elkaar. Dat begint er al bij dat je ziet dat je iemand even moet helpen z’n fiets in het rek te zetten. Walker noemt dat een “geografie van verantwoordelijkheden”: welke aandacht zijn we elkaar verschuldigd? Net als vrijheid is verbondenheid een hachelijke zaak.’

     

    Het klinkt soms een beetje rationeel. We wíllen ook graag boven een ander staan en soms wíllen we iemand helemaal niet helpen met zijn fiets. Dat zit in ons.


    ‘Ja, natuurlijk, dat egoïsme zit ook in ons. Maar die andere kant – sympathie – zit ook in ons. We moeten Hobbes en Hume met elkaar verzoenen. Maar jullie hebben gelijk: theorie is niet genoeg. Stap twee is een goede wil ontwikkelen en dan oefenen. Daarom heb ik een werkmethode ontwikkeld om docenten te vormen in levenskunst.’

     

    Hoe valt die te oefenen?


    ‘In een van de onderdelen laten we ze bijvoorbeeld werken aan hun levensverhaal. Ze moeten verwoorden wie ze zijn, waar ze vandaan komen, door wie ze zijn beïnvloed en hoe anderen hen zien. Veel mensen hebben echt geen idee. In een ander onderdeel moeten ze – bijvoorbeeld naar aanleiding van een filmfragment of een tragedietekst – nadenken over hun waarden en motivaties, en hoe die hun keuzes beïnvloeden.’

    En via die docenten hoopt u iets aan de jeugd mee te geven?


    ‘Ja, er is op school vaak nog zo’n schroom om over levensvragen te praten. Het gevolg is dat jonge mensen helemaal niet kunnen omgaan met vrijheid en solidariteit. Ik vraag mijn studenten weleens hoe ze met hun liefje omgaan. Hebben ze een wij-agenda, of alleen twee ik-agenda’s? Het laatste, natuurlijk. Ze zijn verschrikkelijk bang voor hun hachje.’

     

    U bent voor een wij-agenda.


    ‘Nee! Voor een afweging tussen een ik-agenda én een wij-agenda. Ook een wij-agenda is gevaarlijk, want die wordt vaak gedomineerd door één van beide ikken. Als je iets voor je partner doet uit zelfopoffering, dan houd je dat hooguit twee jaar vol.’

    Hè? Maar dan blijven we alsnog calculerende burgers die hun belangen tegenover elkaar zetten?


    ‘Precies. Maar dan niet om zelf zo veel mogelijk te krijgen, maar om de kaarten van allebei duidelijk op tafel te krijgen. Als je dat niet doet, ben je allebei een dief van je eigen identiteit.’

     

    Marlboro Man


    Laveren tussen twee uitersten, dat is wat de echte levenskunstenaar volgens Dohmen dus beheerst. Aan de ene kant ‘de pathologische figuur van de Marlboro Man die onze cultuur zo heeft geïnfecteerd’, schrijft hij in zijn boek. Dat is de ongeschoren cowboy die bij ondergaande zon boven aan de heuvel komt – well done, boy –, een sigaret opsteekt en zich omdraait, op weg naar de volgende klus die hij gaat klaren, in zijn eentje. De carrièretijger die zijn succes in eigen hand heeft, maar dan te paard.


    ‘Zo’n levenshouding is ziekmakend, laat Trudy Dehue heel goed zien in haar studie over depressie. Maar het andere uiterste vormen die mensen, – vaak vrouwen misschien – die alleen maar zichzelf opofferen, voor hun partner, hun gezin of voor de derde wereld. Wij zitten op dat continuüm tussen die idiote extremen. De inzet van mijn boek is integratie, de boel bij elkaar krijgen. Zelfzorg moet holistisch zijn. Ik doe iets voor de wereld én dat maakt me gelukkig.’

     

    En, lukt dat? Bent u gelukkig?


    ‘In dit gesprek zou ik zelf het liefst buiten schot willen blijven.’

     

    We hebben voorbeelden nodig, verhalen. Dat is volgens u juist wat we missen.
    ‘De vraag is: wat is geluk? Het is een bijproduct, zou Nietzsche zeggen. Ik houd niet zo van het woord “geluk”. Een goede match tussen vrijheid en verbondenheid geeft een geluksgevoel dat veel dieper gaat dan toejuichingen bij Henkjan Smits. Misschien kun je het levensvreugde noemen, zinvolheid. Dat je weet: het klopt.’

     

    Goed dan: klopt uw leven?


    ‘Het kan altijd beter. Ik heb het idee dat ik een beetje op weg ben. Charles Taylor zou zeggen dat je leven zinvol is als je dichter bij je “hypergood” komt, dat is wat je als het goede beschouwt. Ook al is er geen definitieve meetlat, maar alleen een eigen besef van wat ertoe doet, tegen de achtergrond van verhalen om ons heen.’

     

    U vindt de middelmatige man vooral middelmatig omdat hij niet weet wat hij belangrijk vindt.
    ‘Onder andere. Hij wil ergens in uitblinken, maar het maakt hem niet uit in wat. Dat is een kwaal van de Idols-cultuur. Mijn boek gaat dus niet alleen over vrijheid en relaties. Het is heel belangrijk dat we daarnaast een oriëntatie op het goede ontwikkelen om op het juiste spoor te komen. Dat laat Taylor heel overtuigend zien.’

     

    Hij is wel hartstikke katholiek. Zou u ons dat ook adviseren? We kennen wel een gelovig iemand die sociaal is, en nog vrij lijkt ook – is dat wat voor ons?
    ‘Natuurlijk niet! Wat moeten we dan – allemaal terug de kerk in? Ik ken die persoon niet; misschien is hij wel aardig omdat hij een heel makkelijk leven heeft, maar ik denk dat zijn geloof alleen niet toereikend is. Het probleem met Jezus is dat hij valse hoop gaf. Dat leidt niet tot vitaliteit, maar tot een slavenmoraal, zoals Nietzsche constateerde. Jezus zat me te weinig op zelfzorg en te veel op de naastenliefde.’

     

    Het viel ons inderdaad op dat liefde, een van de diepste verlangens van ieder mens, in uw boek niet één keer voorkomt.


    ‘Expres niet. Ik gebruik liever het woord “zorg”, “aandacht”. Dat is iets voorzichtiger. Anders kan het zo makkelijk soft worden, dat we allemaal van elkaar moeten houden, en dat kan natuurlijk niet.’

     

    Ons middelmatige leven zou anders een heel stuk beter zijn als we ons niet eerst hoefden te ontplooien voordat iemand van ons zou houden.
    ‘Dat is het dus, hè. Veel mensen willen niet ergens moeite voor doen, alles is hun om het even.’

     

    We zouden wel willen dat iemand gewoon tegen ons zei: je bent mooi zoals je bent.


    ‘Maar dat zal niet zomaar iemand zeggen. Natuurlijk, in zekere zin moet je mensen nemen zoals ze zijn, maar onze cultuur schept helaas geen mooie mensen van wie je “gewoon” kunt houden. Integendeel, de morele leegheid neemt toe. Daarom is mijn oproep ook zo dringend. We staan onder grote druk, we zijn in levensgevaar.’

     

    ANTWOORD AAN DE MIDDELMATIGE MAN


    Joep Dohmen besluit zijn boek met een antwoordbrief aan de middelmatige man. Die krijgt er stevig van langs, want uit zijn brief blijkt niet dat hij in zijn leven ooit echt ergens moeite voor heeft gedaan.


    Het gaat er allereerst om, schrijft Dohmen, dat de man bepaalde zaken niet onder ogen wil zien. Hij wil heel graag uitblinken, maar hij weet niet waarom. Hij kan er daarom het best mee beginnen dat streven naast zich neer te leggen, in elk geval voor een tijdje, en na te denken over wat werkelijk van belang is. Nadat hij heeft geformuleerd wat zijn verlangens zijn en hoe die zich tot elkaar verhouden, kan hij bedenken in welk domein van zijn leven hij die verlangens gestalte wil geven.


    Vervolgens moet hij aan de slag. Wie een levende passie heeft, komt er namelijk achter dat de eerdere wens om middelmatigheid te overstijgen zelf middelmatig was. Vooral de opvatting dat dat ontstijgen zou bestaan uit het overtroeven van anderen verraadt de schadelijke invloed van de Idols-cultuur. Daarom is het voor het zelfonderzoek van de middelmatige man vooral belangrijk dat hij zijn relaties met anderen herijkt. Hij zou zich kunnen afvragen wat hij voor anderen heeft betekend, en omgekeerd, en wat hij daarvan kan leren voor de toekomst.


    In zekere zin is middelmatigheid onvermijdelijk, omdat we nooit zekerheid zullen krijgen over onze inspanningen. Het kan altijd beter en het kan ook altijd slechter. In onze samenleving moeten we steeds op een andere manier inspelen op de eisen die er aan ons worden gesteld, en onze taak is dus nooit af. Dat neemt niet weg dat het heel belangrijk is om ermee op te houden als slaaf te leven en het heft in eigen hand te nemen. Probeer goed te zijn waar en wanneer het er werkelijk toe doet, adviseert Dohmen tot besluit. ‘Misschien ervaart u zo – al was het maar af en toe – dat u de middelmaat ontstijgt.’

     

    BRIEF VAN DE MIDDELMATIGE MAN

    Mijn middelmatigheid

    Mijn leven lang heb ik heel goed willen zijn in iets,
    willen uitblinken in het een of ander,
    me willen onderscheiden van anderen,
    waardering willen oogsten voor iets wat ik beter kan dan anderen.
    Ik ben nu 50 en ik heb in de loop der tijd wel wat talentjes bij mezelf
    ontdekt,
    ik ben een beetje goed in dit en dat,
    maar verder ben ik niet gekomen en dat is niet genoeg.
    Zeg niet dat ik mijn streven moet loslaten,
    want dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.
    Het zou immers betekenen dat ik mij moet neerleggen bij mijn middelmatigheid.
    Dat is erg moeilijk.
    Misschien wel net zo moeilijk als onder ogen zien
    waarom ik zo graag heel goed wil zijn in iets.
    Accepteren?

    T. van H. (50, man), Amsterdam

    (Ingezonden brief, Volkskrant Magazine 21 maart 2009).

  • De Volkskrant 'Wel vrijheid, geen blijheid'

    Wel vrijheid, geen blijheid;

    INTERVIEW: Joep Dohmen en maarten van Buuren

    Joep Dohmen: 'Ik vind eigenlijk dat het leven van de

    meeste mensen er niet uitziet. Goed, we zijn vrij; maar

    kijk ons toch eens tobben, in ons werk, onze relaties, de

    grote wereld. Bedenken waarover je leven moet gaan en

    hoe je het invult: voor de meeste mensen levert dat won-
    der van de vrijheid een enorm probleem op. Eerlijk

    gezegd weet ik mezelf ook vaak geen raad.'

     

    Maarten van Buuren: 'Ik ervaar het besef van totale vri-
    jheid dat me is gegeven toen ik van mijn wortels van

    mijn gereformeerde jeugd in Maassluis ben afgekapt,

    nog elke dag als een godsgeschenk. Het Ìs natuurlijk

    geen godsgeschenk, want van God ben ik dus juist af;

    maar het besef dat ik elk initiatief kon nemen dat ik

    wilde, dat ik kon kiezen wat ik wilde studeren, dat ik aan

    sport kon gaan doen of het kon laten, dat ik een relatie

    kon aangaan met iemand of niet, kortom: dat het leven

    was wat ik ervan maakte; dat was en is voor mij een op-
    windend en geweldig inzicht.'

     

    Afgelopen maand verscheen De prijs van de vrijheid:

    denkers en schrijvers over moderne levenskunst, van

    Joep Dohmen en Maarten van Buuren. Dohmen (61) is

    filosoof. Hij schrijft al jaren over levenskunst; zijn laatste

    boek ging over de kunst van het ouder worden. Van

    Buuren (62) is hoogleraar Franse literatuur. Een paar jaar

    terug schreef hij een boek over zijn depressies, Kikker

    gaat fietsen, dat een bestseller werd.

     

    In De prijs van de vrijheid zetten Dohmen en Van

    Buuren de opvattingen van tien schrijvers en filosofen

    over vrijheid op een rij. Michel de Montaigne (1533-

    1592) is de eerste, Michel Houellebecq (1956) sluit de

    rij, daartussen worden onder anderen Sartre, Dostojevski,

    Taylor, Bieri en Nietzsche behandeld.

     

    Maarten van Buuren: 'Het uitgangspunt was: we nemen

    vijf schrijvers en vijf filosofen die ons interesseren, en

    we onderzoeken wat ze hebben gezegd en geschreven

    over de vraag hoe je als autonoom individu moet leven

    en hoe zich dat verhoudt tot de moraal van hun tijd.

    Moderne denkers, want pas sinds de Verlichting ziet de

    mens zich echt geconfronteerd met vrijheid, in die zin

    dat hij is losgekomen van kerk en staat, en is aangewezen

    op zichzelf. Joep zou de levensblije denkers doen, ik de

    zwartkijkers. Mijn kijk op het leven is van de zwarte

    kant, mede door die depressies; en Joep die zich al jaren

    met levenskunst bezighoudt, kijkt er toch wat vrolijker

    tegenaan.'

     

    Joep Dohmen: 'Maar tot mijn stomme verbazing werd

    Maarten steeds minder depressief, en ik steeds de-
    pressiever. Ik ben somberder geworden over vrijheid, en

    Maarten minder somber. We kropen een beetje naar el-
    kaar toe. Waarmee ik niet wil zeggen dat we het inmid-
    dels over alles eens zijn.'

     

    Van Buuren: 'Nee, helemaal niet.'

    Jullie beginnen met Montaigne en eindigen met Houelle-
    becq. Twee uitersten. Montaigne woonde met zijn vrouw

    en dochter op een mooi kasteel en zat het grootste deel

    van zijn leven vredig in zijn bibliotheek de klassieken te

    bestuderen en zijn Essays te schrijven. Houellebecq is

    een cynicus die zijn moeder en de hele wereld haat en de

    zwartgalligste romans schrijft.

     

    Van Buuren: 'Het zijn uitersten, maar ze zijn niet als uit-
    ersten gekozen; de hoofdstukken zijn gewoon ingedeeld

    op basis van chronologie.'

     

    Dohmen: 'Montaigne is de eerste belangrijke denker die

    heel bewust bezig is met zijn vrijheid, die zichzelf en zijn

    leven voortdurend onderzoekt, en nooit te beroerd is zijn

    mening te herzien. Dat maakt hem, behalve sympathiek,

    ook tot een voorbeeld. Hij zegt: de filosofen hebben de

    neiging het leven steeds maar op bepaalde principes vast

    te willen spijkeren, maar dat is dodelijk. Je moet flexibel

    blijven. Hij erkent de tegenstrijdigheden die elk mens in

    zich heeft, ook hij zelf. Hij zegt: 'Goed, ik ben kuis; maar

     

    Wel vrijheid, geen blijheid; INTERVIEW Joep Dohmen en maarten van buuren de Volkskrant 9 april 2011 zaterdag

    ik ben ook geil. Ik ben grappig, maar ik ben ook onge-
    looflijk saai. Ik ben twistziek, maar ik ben ook loyaal en

    tolerant.'

     

    Van Buuren: 'Michel Houellebecq roept niet zoveel sym-
    pathie op, dat is zonder meer waar. Maar ik vind hem

    daardoor niet minder fascinerend. De reden dat ik Houel-
    lebecq erin heb gezet, is dat hij in een aantal boeken

    filosofie en essay mengt met fictionele verhalen, en dat

    hij daarin een heel opmerkelijk filosofisch standpunt

    huldigt, omdat hij tegen het liberalisme ageert. Hij legt

    heel gepassioneerd uit tot welke rampen het losgeslagen

    liberalisme leidt. Namelijk tot ongelijkheid.

     

    Van Buuren: 'Precies, tot ongelijkheid. Houellebecq

    schrijft: 'In een volstrekt liberaal economisch systeem

    vergaren sommige mensen enorme vermogens; anderen

    kwijnen weg in werkloosheid en armoede. In een vol-
    strekt liberaal seksueel systeem leiden sommige mensen

    een gevarieerd en opwindend erotisch bestaan; anderen

    zijn veroordeeld tot masturbatie en eenzaamheid. Som-
    migen gaan elke dag met iemand naar bed; anderen vijf

    of zes keer in hun leven, of nooit.'

     

    'Het liberalisme leidt tot ongelijkheid op het gebied van

    status en seks, ik vind dat Houellebecq in zijn openheid

    en ruigheid een spijker heel hard op de kop slaat, dat hij

    iets benoemt waar iedereen met een boog omheen loopt.

    Daar vind ik hem machtig interessant.'

     

    Dohmen: 'Ik vind Houellebecq een geweldige schrijver,

    maar een buitengewoon slechte filosoof. Hij maakt een

    karikatuur van de ontaarding, in onze tijd, van de man-
    nelijke seksualiteit. Die is bij hem heel zwart. Die

    stelling dat de alfamannetjes er met de wijfjes vandoor

    gaan, en dat de rest daarnaar kan fluiten: ik zie dat wel

    terug bij sommige managers en dat soort types, maar

    verder valt het geloof ik toch wel mee. Ik geloof dat we

    binnen het liberalisme op seksueel gebied juist veel meer

    mogelijkheden hebben dan Houellebecq schetst. Het

    liberalisme is al een tijdje de pispaal, maar het valt ab-
    soluut niet te ontkennen dat het ook voor heel veel goede

    dingen gezorgd.'

     

    Jullie roepen in het voorwoord van het boek de lezer op

    na te denken over wat vrijheid voor hem betekent.

     

    Van Buuren: 'Het is een vraag waarop iedereen voor

    zichzelf het antwoord moet bepalen: hoeveel vrijheid kun

    je aan?'

    De titel van jullie boek impliceert dat jullie zelf vinden

    dat vrijheid een hoge prijs heeft.

     

    Van Buuren: 'Er zijn twee soorten prijzen die je moet

    betalen voor de vrijheid. Je moet eerst strijd leveren om

    ̧berhaupt vrijheid te verwerven; er zijn nog steeds ge-
    bieden waar mensen met een kalasjnikov de straat op

    moeten om hun vrijheid te bevechten. Interessanter is de

    prijs als je de vrijheid eenmaal verworven hÈbt. Sartre

    zegt: we zijn gedoemd vrij te zijn, want we hebben God

    gedood; maar nu staan we er alleen voor. Wat moeten we

    doen? En de prijs die je dan voor de vrijheid moet gaan

    betalen, is dat je ofwel zegt: wij accepteren die totale

    vrijheid en accepteren dus dat elke beslissing uit onszelf

    komt; en in die beslissing ontwikkelen we onszelf tot wat

    Nietzsche de ‹bermensch noemt. Op de plaats waar God

    stond, daar gaan wij staan.

     

    'Maar de meeste mensen schrikken daarvoor terug, die

    vragen liever om hulp, om houvast, om steun. Ze willen

    richtlijnen en ze willen gidsen. En die mensen betalen de

    prijs van de vrijheid, in die zin dat ze de vrijheid afstaan;

    aan leiders of aan anderen tegen wie ze zeggen 'vertel jij

    mij maar wat we moeten doen'. Dat legt Dostojevski

    weer heel goed uit. Hij zegt: het enige wat mensen ten

    diepste willen, is van die vrijheid af raken, en hun leven

    aan de voeten leggen van leiders of vorsten of wat dan

    ook.'

     

    Dohmen: En als je dat niet wilt, is de vraag: hoe ga je die

    vrijheid vormgeven? Waar vind je steunpunten, als het

    niet bij een leider is, of bij Wilders of bij je buurman?

    Dat noem ik dus levenskunst. Levenskunst is vorm geven

    aan je persoonlijke en politieke vrijheid. Daar speelt

    authenticiteit een belangrijke rol in.

    'Het punt dat Charles Taylor vervolgens naar voren

    brengt, is: als al die mensen bezig zijn om hun eigen

    leven zo positief mogelijk vorm te geven, wat betekent

    dat dan voor de gemeenschap? Is de prijs van de vrijheid

    niet dat de verantwoordelijkheid voor de samenleving als

    geheel naar de donder gaat? Maar dan kan vrijheid dus

    niet het enige hypergood zijn, want verantwoordelijkheid

    en verbondenheid mogen niet worden vergeten. Dat ben

    ik volkomen met hem eens. En Maarten ook hë?'

     

    Van Buuren: 'Ja.'

    Wat betekent vrijheid voor jullie zelf?

     

    Dohmen: 'Ik zal een prachtig citaat voorlezen uit de ro-
    man Vrijheid van Jonathan Franzen: 'Hij had geen flauw

    benul van wie hij was en wat hij met zijn leven aan-
    moest. Alles wat op zijn weg kwam, dwong hem in een

    richting die hem de enige juiste leek, maar zodra zich

    dan weer iets nieuws aandiende, dwong dat hem in een

    heel andere richting, die ook de enige juiste leek. Er was

    geen ordenende structuur, geen perspectief waarbinnen

    hij zichzelf kon oriÎnteren, hij kwam zichzelf voor als

    een balletje in een flipperkast, dat maar voort bleef rollen

    om het rollen zelf. Het idee om zijn huwelijk eraan te

    geven en opnieuw te beginnen met Lalita, had onweer-
    staanbaar geleken, tot hij zich zich herkende in die oud-
    ere collega uit Jessica's verhaal, een van die talloze

    blanke Amerikaanse mannen die recht meenden te heb-

     

    Wel vrijheid, geen blijheid; INTERVIEW Joep Dohmen en maarten van buuren de Volkskrant 9 april 2011 zaterdag

    ben op meer, en meer en meer, en dat maakte er opeens

    een romantische vorm van Amerikaans imperialisme

    van, iets jongs en exotisch willen hebben omdat het ar-
    tikel van eigen bodem niet langer voldeed. Wie was hij?

    Wat moest hij toch met zijn leven aanvangen?'

    'Dat is een quote over moderne vrijheid waarvan ik bijna

    zeker weet dat heel veel mensen zich erin herkennen: ik

    ben vrij maar wat mÛet ik ermee? Wanneer telt mijn

    leven? Die hele authenticiteitsvraag 'Wie ben ik echt en

    wat moet ik met mijn leven' het is de Maand van de

    Filosofie, en die heeft als thema het echte leven hangt als

    een zwaard van Damocles boven de meeste mensen. Dat

    kun je een luxe situatie vinden, maar je kunt het ook een

    drama noemen. En ik noem het een drama. Ik denk dat

    de combinatie van vrijheid en hedonisme die onze

    samenleving kenschetst, een dodelijke cocktail is.

    'Ik ben zelf een van de vele stakkers op het toneel. Dat ik

    al jaren met levenskunst bezig ben, komt ook doordat

    mijn eigen leven ingewikkeld is. Mijn vader zat vijf jaar

    in het concentratiekamp en mijn moeder twintig jaar in

    een nonnenklooster. Ik ben het kind van twee ouders die

    elk op hun manier in het verleden leefden. Dat kleurt je

    manier van denken; je krijgt de opdracht om zelf een

    ander, beter leven te leiden. Ik schrijf over levenskunst

    om ermee klaar te komen, om de demonen te bezweren,

    omdat ik met verhouding tussen mijn werk en mijn re-
    laties worstel, en er doorgaans te weinig van bak.'

     

    Van Buuren: 'Ik ben nu bezig met een boek over de wijk

    waarin ik ben opgegroeid, in Maassluis. Door dat boek

    ben ik me heel erg bewust van het feit dat het moment

    waarop ik ben geboren, 1948, het moment was waarop

    dat kleine en beperkte gereformeerde dorp werd openge-
    broken, waarop kinderen in de gelegenheid werden

    gesteld naar de middelbare school te gaan.

    'Ik was de eerste in mijn familie die naar de middelbare

    school ging! En de eerste die van daaruit een platform

    kreeg om de wereld te ontdekken. Dat heeft mij van meet

    af aan bewust gemaakt van mijn vrijheid. Ik heb me

    altijd gerealiseerd dat me een enorme ruimte werd ge-
    boden. Het is een duizeligmakend besef dat je daaruit

    kunt stappen, dat je je kunt losmaken van je achtergrond

    en opvoeding. Wanneer ik me ontworstel aan een de-
    pressieve aanval, heb ik datzelfde verhoogde besef van

    absolute vrijheid. Ik ben nog altijd bezig die vrijheid in te

    vullen.'

     

    Hoe te leven, daarover gaat filosofie weer, net als in de

    oudheid. Nemen filosofen de rol van psychologen over?

    Dohmen: 'Ik denk wel dat filosofie een gidsende rol kan

    spelen. Als je kijkt naar de problemen van jongeren, hoe

    ze worstelen met hun identiteit, met gezag, met media,

    seks, met drugs: die hebben zo'n een enorm grote, dyna-
    mische wereld, waar ze mee moeten leren omgaan.

    'Je moet eigenlijk een soort levenskunst voor jongeren

    ontwikkelen. En ook voor ouderen, trouwens. Waarom

    zijn zoveel vijftigers depressief? De kinderen zijn de

    deur uit, het werk is niet meer wat het was en hun partner

    kennen ze wel zo'n beetje. Maar dan kun je niet dertig

    jaar achter de geraniums gaan kijken hoe het zal aflopen.

    Je moet ook een agenda voor de tweede helft van je

    leven hebben.'

     

    Van Buuren: 'In de leemte die is ontstaan na de dood van

    God, is voor een deel voorzien door de zielszorg, en een

    deel door de filosofie. Leren leven; daar gaat het uitein-
    delijk allemaal over.' Het echte leven

     

    April is de Maand van de Filosofie, met als thema 'het

    echte leven'. In het Vervolg interviewen Peter Giesen en

    Wilma de Rek deze maand daarom een aantal filosofen.

    Vandaag zijn dat Joep Dohmen en Maarten van Buuren.

    Joep Dohmen is hoogleraar wijsgerige en prak-
    tijkgerichte ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek

    in Utrecht. Onlangs verscheen van hem het boek Brief

    aan een middelmatige man. Maarten van Buuren is hoo-
    gleraar Franse literatuur aan de Universiteit Utrecht en

    vertaler van het werk van onder anderen La Rochefou-
    cault en Paul ValÈry. Vorige maand verscheen van

    Dohmen en Van Buuren De prijs van de vrijheid (Ambo,

    24,95).

     

    Ik vind Houellebecq een geweldige schrijver, maar een

    buitengewoon slecht filosoof

    Hoe moet je als autonoom individu leven? Wat moet je

    doen, wat moet je laten? Moet het leven een doel hebben

    of juist niet? Joep Dohmen en Maarten van Buuren

    schreven een boek over de prijs van de vrijheid: 'De

    meeste mensen weten zich met hun vrijheid geen raad.'

    Door Wilma de Rek

    LOAD-DATE: April 8, 2011

    LANGUAGE: DUTCH; NEDERLANDS

  • De Volkskrant 'Politici maken onze democratie kapot'

    Joep Dohmen − 03/09/11, 06:00

    De geesteswetenschappen en de kunsten helpen de mens zich in te leven in

    anderen. Daarop bezuinigen voedt de haat, stelt filosoof en hoogleraar Joep

    Dohmen.

    Het manifest Niet voor de winst - het belang van alfa-onderwijs voor de democratie van

    Martha Nussbaum komt op een belangrijk moment voor Nederland. Wij beleven

    namelijk een dramatisch moment in ons academisch onderwijs.

     

    Net als kanker

    Om te beginnen spreekt zij van een 'stille crisis', een die 'grotendeels onopgemerkt

    voortwoekert, net als kanker'. Ik vrees dat beeld en uitdrukking goed getroffen zijn.

    Die crisis betreft de heimelijke, maar o zo gestage achteruitgang - tot aan het

    verdwijnen toe - van de geesteswetenschappen: geschiedenis, talen,

    godsdienswetenschappen en studies van eigen en vreemde religies, filosofie en

    ethiek, levensbeschouwing, kunst(beschouwing), muziek.

    In plaats daarvan zien we een steeds verder oprukken van exacte, zogenaamd harde

    (natuur)wetenschappen, mediastudies en technologie. De sociale wetenschappen,

    mits geënt op het juiste technische format en het gangbare paradigma, krijgen nog

    een tijdje dispensatie, evenals de levenswetenschappen.

    Nussbaum laat overtuigend zien dat wereldwijd het programma van de liberal arts

    gedoemd is te verdwijnen, omdat internationale politici en bestuurders zo'n

    algemene vorming niet langer nodig achten. Waarom zou je immers geschiedenis

    leren als er maar één richting is: vooruit? Waarom theologie als God niet bestaat?

    Waarom vreemde talen als we toch allemaal Engels praten? En waarom filosofie als

    het doel van al onze inspanningen - economische groei - bij voorbaat vaststaat?

     

    Zere plek

    Nussbaum legt in haar analyse van het academisch onderwijs op minstens drie

    punten de vinger op de zere plek. Allereerst onderscheidt zij twee soorten onderwijs:

    een soort die op winst is gericht en een die focust op democratie. In het op winst

    gerichte onderwijs wordt een mensenleven in de eerste plaats gezien 'als middel om

    winst mee te behalen'. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, leidt

    economische groei volgens Nussbaum niet automatisch tot algemene welvaart in een

    democratisch bestel. Ons huidige onderwijs leidt niet vanzelf tot ontwikkelde

    mensen, laat staan tot een rechtvaardige samenleving. Voor dat laatste is heel wat

    meer nodig dan alleen een bloeiende economie. Daarvoor moeten wij jonge mensen

    ontwikkelen, vormen, bilden. Als het goed is, gebeurt dat in de opvoeding in

    gezinnen, en vervolgens vooral op scholen en universiteiten. Wat voor programma is

    daarvoor nodig?

     

    Niet voor de winst richt zich met name op het universitaire onderwijs en laat zien dat

    studenten daarin allereerst een bepaalde mentaliteit, een levenshouding, moeten

    ontwikkelen. Als die ontbreekt, heeft hun verdere academische vorming geen eigen

    zin en betekenis. Voordat studenten zich gaan specialiseren, moeten zij dus allereerst

    een soort propedeuse doorlopen waarin zij zich in twee belangrijke onderwerpen

    dienen te bekwamen een socratische pedagogiek en een eigen sensibiliteit.

    Wat betreft het eerste punt: de student moet een kritisch (zelf)bewustzijn

    ontwikkelen, vaardig worden in het debat, goed kunnen analyseren en

    argumenteren. Alleen zo wordt iemand een autonome geest, die in staat is

    zelfstandig te oordelen over wat dan ook. Daarnaast moet de student zijn

    verbeelding ontwikkelen, met het oog op empathie. Studenten moeten ook leren de

    wereld te bekijken vanuit het standpunt van een ander. Van daaruit is de student in

    staat mee te voelen met een ander en bereid tot wederzijdse hulp.

    Het behoeft geen betoog dat juist de geesteswetenschappen in combinatie met kunst

    bij uitstek geschikt zijn om aan jonge mensen deze twee eigenschappen bij te

    brengen. Als autonome en empathische mensen kunnen ze in hun specialisatie een

    klimaat van verantwoordelijk rentmeesterschap en een cultuur van creatieve

    innovatie bevorderen.

     

    Ja-knikkers

    Nederland kiest echter vandaag voor op winst gericht onderwijs. De Nederlandse

    universiteiten moeten van overheidswege zwaar bezuinigen, met name op de niet-
    exacte vakken. De verantwoordelijke politici en bestuurders zien het belang van

    geesteswetenschappen en kunst niet in. Zij willen niet onder ogen zien dat de

    kredietcrisis op rekening komt van onverantwoordelijk handelende individuen. Zij

    willen niet toegeven dat het echec van de banken geen toeval was en alles te maken

    had (en heeft!) met een cultuur van ja-knikkers. Onze minister van Onderwijs, Marja

    van Bijsterveldt, zei in Trouw: 'Ik wil alles uit het kind halen.' Hoe dan? Door het een

    vakkenpakket te geven van Engels, taal, rekenen en economie. Geen enkel woord

    over brede algemene vorming, dat vindt ze maar flauwekul.

    Ik zou mijn kind niet graag aan Marja overlaten. De Nederlandse overheid bezuinigt

    op de kunsten, want zij vindt artistieke creativiteit niet speciaal waardevol. O nee?

    Wat was Apple geweest zonder de creatieve geest van Steve Jobs? Zo bezien maakt

    ons kabinet niet alleen een bloeiend leven in een rechtvaardige samenleving

    onmogelijk, maar ruïneert het op termijn zijneigen doelstelling van economische

    groei.

     

    Niet alleen politici, ook de universitaire besturen zelf doen graag mee aan het leveren

    van op winst gericht onderwijs. In zijn briljante essay Topkitsch en slow science liet

    René Boomkens al in 2008 zien dat en hoe de Nederlandse academie een verlengstuk

    geworden is van het bedrijfsleven, met zijn logica van productie en rendement.

    Sindsdien is het alleen nog erger geworden. Hoogleraren doen alleen nog maar aan

    zogenaamd toponderzoek. De Nederlandse academicus wringt zich in alle mogelijke

    bochten om in een Angelsaksisch triple A-tijdschrift te mogen publiceren. Dat lukt

    natuurlijk zelden en dan gaat men wanhopig op zoek naar een lager geklasseerd

    tijdschrift enzovoorts. Zo houdt men elkaar gevangen en de schijn hoog. Intussen is

    van goed onderwijs (kleine klassen, veel contacturen, aandacht voor de papers van

    studenten en voor hun humanistische vorming) geen sprake meer.

     

    Mislukte levens

    Het wordt tijd dat Ad Verbrugge, de oprichter van Beter Onderwijs Nederland, een

    academische variant bedenkt. Voor maatschappelijk engagement moet je al helemaal

    niet meer op de universiteit zijn. 95 procent van de Nederlandse filosofen, de ethici

    incluis, heeft nog nooit iets gepubliceerd over onderwijs, zorg, verantwoordelijkheid

    in organisaties, humaniteit in gevangenissen, duurzaamheid en milieu, laat staan

    over de houdbaarheidsdatum van de Nederlandse democratie. Het excuus: daar

    mogen wij helemaal niet over schrijven.

    Het mensbeeld van Nussbaum is het tweede belangrijke punt in Niet voor de winst.

    Dat is niet zo positief. Zij laat zien hoe jonge kinderen moeten leren hun primaire

    narcisme, hun schaamte over hun lichamelijkheid en hun onmacht te overwinnen.

    Opvoeding betekent: jonge mensen niet alleen leren inzien maar ook leren

    aanvaarden dat ze als mens kwetsbaar zijn en afhankelijk van anderen. Alleen wie

    daarin slaagt, is zelf beter in staat om open te staan voor anderen en anderen te

    helpen. Wie er echter niet in slaagt zijn onmacht te verdragen, zal zijn angst, walging

    en schaamte over zichzelf al gauw op anderen projecteren. Die ander, die

    vreemdeling, die allochtoon deugt niet; hij stinkt, is een rat, tuig. Met andere

    woorden: humanistische vorming via de geesteswetenschappen en kunsten is van

    groot belang voor een bloeiend, gelukkig leven. Maar zij is van nog veel groter

    belang voor het voorkomen van mislukte levens en het tegengaan van een cultuur

    van haat.

    Hoe dat kan, laat Martha Nussbaum tot slot zien in haar betoog over de rol van de

    kunst. Naast kritische wetenschap is de rol van de kunst, en dan vooral de literatuur,

    van eminent belang om onze verbeeldingskracht te stimuleren. Volgens Nussbaum

    kunnen we ons ook zonder kunst vaak goed inleven in onze naasten. Kennen we die

    mensen en hun levenswijze echter niet, dan helpt juist kunst ons om ons in hen in te

    leven. Kunst is in die zin een revolutionaire kracht en dat is volgens Nussbaum de

    ware reden waarom politici doorgaans zo op hun hoede zijn voor de kunst.

     

    Praktische wijsheid

    In dat verband is het opmerkelijk dat de regering onlangs heeft besloten een

    ongekende bezuinigingsronde op alle kunsten door te voeren. Tal van kunstenaars

    en artistieke gezelschappen hebben vanaf dit jaar geen middelen meer van bestaan.

    Waar onze academici geen maatschappelijk engagement willen, wordt dat voor een

    grote groep kunstenaars botweg onmogelijk.

    Misschien moeten we onze hoop richten buiten de academie. De Nederlandse

    filosoof Henk Oosterling heeft zich in Rotterdam ontfermd over een groep jongeren.

    Hij leert hen koken, hun eigen tuintje onderhouden en hun weerbaarheid vergroten

    via judo. Hij is de John Dewey van onze tijd; deze pedagoog (1859-1952) hield

    immers ook niet van abstracte kennis, maar wel van praktische wijsheid. Oosterlings

    onderwijs is op vorming gericht. Hij leert de jongeren zelfrespect en empathie, gevoel

    voor anderen.

    Met Nussbaum doe ik een oproep aan de bestuurders van het Nederlandse

    onderwijs en de verantwoordelijke politici: bewaak uw cultuur en voedt uw burgers

    op tot mensen die voor zichzelf en elkaar verantwoordelijkheid kunnen en willen

    nemen. Socrates was een 'wakkerschudder'. Nussbaum is dat ook. Ook zij doet iets

    wat officieel niet mag van de huidige wetenschappelijke autoriteiten: zich engageren.

    Zij is de horzel van onze academie en terecht. Want onze politici en bestuurders

    snappen niet dat ze onze democratie ten gronde richten.

    Joep Dohmen is filosoof en hoogleraar aan de Universiteit voor Humanistiek.

    Dit is een bewerking van de tekst die de auteur zondag uitspreekt op de Internationale School

    voor Wijsbegeerte in Leusden, waar Martha Nussbaum de Frederik van Eedenlezing houdt.

  • Trouw 'De kunst van het sterven'

    ‘De kunst van het sterven is geen platte zelfbeschikking’

    Peter Henk Steenhuis − 26/07/11, 14:42

    ‘Als Jezus Christus nu geleefd zou hebben, zou hij stervenshulp hebben geboden.” Joep Dohmen, schrijver van bestsellers over levenskunst opent het gesprek over ‘voltooid leven’ fel. Hij heeft zich namelijk gestoord. .

    “Onlangs sprak predikante Annemarieke van der Woude in Trouw over ‘voltooid leven’. Tegenover de notie van voltooid leven zet zij toch weer de oude gedachte van het leven als een gave. Daar ergerde ik mij aan.

    “Door de moderne technologie en toegenomen levensverwachting is de problematiek van het ouder worden in onze westerse wereld massief te noemen. Om die het hoofd te bieden zouden christenen en humanisten elkaar de hand moeten reiken, en niet teruggrijpen op zulke oude katholieke noties, maar samen op zoek moeten gaan naar een nieuwe ars moriendi.”

     

    Het leven als kunstwerk


    Bij deze kunst van het sterven kan volgens Dohmen, behalve schrijver ook hoogleraar ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht, het woord ‘voltooid’ wel degelijk een belangrijke rol spelen.

    “Maar op een andere manier dan Van der Woude het begrip gebruikte. De mogelijkheid het recht in eigen hand te nemen als jij je leven ‘voltooid’ acht, noemde zij egocentrisch: jouw leven is misschien wel voor jou voltooid, maar niet voor je kleinkinderen. Bovendien weet je niet of er morgen niet een nieuwe zin, betekenis of hoop kan opduiken, die jouw zogenaamd voltooide leven toch weer onvoltooid doet lijken. En je moet het maar kunnen: opa legt zijn kleinkinderen uit dat hij er volgende week vrijdag mee ophoudt.”

    Vooral met deze laatste kritiek op het begrip ‘voltooid’, zegt Dohmen, stuit Van der Woude op het maakbaarheidsprobleem. “Zij meende dat deze maakbare dood zou aansluiten bij de gedachte van het leven als kunstwerk. Je hebt van je leven een kunstwerk gemaakt, en nu wil je dat kunstwerk niet bederven door er te lang aan te blijven prutsen.

    “Met de laatste scheppende daad, de eigen dood, zou het kunstwerk dan voltooid worden. Nu heb ik de laatste jaren veel geschreven over levenskunst en het leven als kunstwerk. Ik heb daarbij gemerkt dat vooral dit laatste begrip opgevat wordt als een plat pleidooi voor autonomie, terwijl ware levenskunst hier juist het tegendeel van is.”

     

    Beeldhouwkunst en levenskunst


    Een van de boeken van Dohmen heet ‘Het leven als kunstwerk’. Onlangs werd het opnieuw uitgebracht, als boek samen met een box luister-cd’s. Op de eerste cd legt Dohmen uit dat het idee om van je leven een kunstwerk te maken een oude gedachte is die in de jaren tachtig herijkt werd door de Franse filosoof Michel Foucault, die zich in een interview afvroeg: ‘Waarom zou niet ieders leven een kunstwerk kunnen worden?’

    “Op de cd-box ga ik in op de vergelijking tussen beeldhouwkunst en levenskunst. De belangrijkste overeenkomst is dat het in beide gevallen om een scheppende en vormende activiteit gaat. Verschil is dat een levenskunstenaar die zichzelf bewerkt daarna anders in het leven staat. Het leven als kunstwerk verwijst niet naar een notie van voltooidheid, maar naar de kunst om open en vitaal in het leven te blijven staan.”

     

    Onderzoek naar begrip ‘voltooid leven’


    Juist omdat er misverstanden dreigen, zegt Dohmen, is het goed om het begrip ‘voltooid’ te onderzoeken. “Ik pleit voor een nieuwe agenda voor de tweede levenshelft. We moeten niet pas over onze eindigheid nadenken als de dood nabij is.

    “Onze derde levensfase speelt zich af tussen de 60 en 85: de kinderen zijn de deur uit, het arbeidsproces is afgerond, we zijn min of meer welgesteld en dan – dan verwachten we overspoeld te worden door een Zwitserlevengevoel. Flauwekul.

    “Wij missen in het Westen een cultuur van goed ouder worden. De Zwitserse psychiater en psycholoog Carl Gustav Jung vergelijkt het leven van de mens met de zon: opkomend in de ochtend, in de middag fel schijnend met een enorm bereik, en verzwakkend in de namiddag en avond. Jung zegt dan: ‘De namiddag moet een eigen zin en doel bezitten, en kan niet alleen een beklagenswaardig aanhangsel van de ochtend zijn.'”

    Van levensstijl veranderen
    Over dat eigen doel moeten we volgens Dohmen nadenken. Wat hoort tot de kunst van het ouder worden? “Dat we van levensstijl veranderen. Minder op onszelf gericht raken, want we hebben de meeste van onze doelen al bereikt. Minder op comfort gericht, minder activistisch, meer bezonnen, meer tijd voor de ander, voor de volgende generatie.

    “Heel positief: wij hebben een enorme kennis en levenservaring opgedaan die we zouden kunnen inzetten voor advies aan jongeren die met het leven worstelen. Deze levensfase is bij uitstek geschikt voor vrijwilligerswerk. Wie zo leeft, komt langzaam in de zone waarin de vraag naar een voltooid leven aan de orde is.

     

    Drie betekenissen


    “Voltooid leven kent minstens drie betekenissen. Bij de eerste denk ik aan een huis, een schilderij. Dat kan voltooid zijn, af. Maar ons leven is geen product, is geen klus die geklaard kan worden.

     

    “Bij de tweede denk ik aan belangrijke doelen die een mens zich gesteld heeft: kinderen krijgen en opvoeden, je werk goed doen, een organisatie leiden, een boek schrijven. Van iemand die tijdens het streven naar deze doelen overvallen wordt door de mededeling dat hij nog maar drie maanden te leven heeft, zeggen we: dit leven wordt afgebroken. Dat is dus een ónvoltooid leven.

     

    Je zou je kunnen voorstellen dat hoe meer iemand bereikt heeft waarna hij streefde, des te meer iemand bereid zou moeten zijn, zijn of haar dood onder ogen te zien. Dan nadert het menselijk leven zijn voltooiing.

     

    “In de derde betekenis vat ik voltooid op als te moe, te zwak en te traag om nog vorm te geven aan je leven. Voltooid in de zin van verzadigd, de mogelijkheden zijn fysiek en mentaal uitgeput. Je kunt niet alleen actief, maar zelfs passief niet meer de rol spelen om er voor anderen te zijn.

    “Het leven wordt eerder een straf dan een gave, je kunt het niet langer opbrengen. Op zo’n moment zouden de kleinkinderen kunnen opstaan en om opa heen gaan staan: ‘Opa, wij helpen jou dood te gaan, want wij zien dat jouw leven voltooid is’. Dat is de stervensbegeleiding die Jezus gegeven zou hebben.

     

    Een spiegel van het geleefde leven


    “Als kleinkinderen in staat zouden zijn op deze manier met opa te spreken over voltooidheid, en daarmee een aandeel nemen bij de stervensbegeleiding, dan kan er op een passende wijze gestorven worden. Dan kan iemands dood in overeenstemming raken met zijn leven, een spiegel worden van het geleefde leven.

    Dan spreken we niet alleen over levenskunst maar ook over stervenskunst. Dat is geen platte zelfbeschikking, integendeel, deze twee kunstvormen zijn uitermate sociaal, en kunnen alleen beoefend worden in relatie met de medemens.

    Zelfbeschikking betekent zo niet dat je op je eentje besluit er een eind aan te maken, maar dat je na een proces van voltooiing en in samenspraak met je dierbare naasten, besluit te sterven. Dat is de ars moriendi die ik voor me zie.”

    Joep Dohmen, ‘Het leven als kunstwerk’ (cd-box en boek). Ambo/Anthos, Amsterdam. Isbn 9789089930248; 6 cd’s/ 264 blz. €49,95.

     

    Levenskunst

     

    Levenskunst of bestaansethiek is een vorm van ethiek die de afgelopen decennia grote belangsteling geniet. Filosofen als Michel Foucault en Pierre Hadot hebben in de jaren tachtig gepleit voor een terugkeer van de levenskunst. Zij ontdekten deze bestaansethiek in de klassieke oudheid en probeerden die voor de moderne samenleving te actualiseren.

     

    In hun voetspoor werken tal van moderne filosofen, zoals Martha Nussbaum, Charles Taylor en Joep Dohmen aan een nieuwe levenskunst. Centrale notie in de levenskunst is ‘zorg voor zichzelf’. De inzet van de levenskunst is om zichzelf mentaal en moreel weerbaar te maken en daardoor een goed ouder, partner, vriend en burger te worden.

     

    Uit vrije wil

     

    De groep ‘Uit vrije wil’, die zich inzet voor de stervenshulpverlening aan ouderen met een voltooid leven, wil ‘voltooid leven’ als grond voor euthanasie in de wet. In de huidige euthanasiewet wordt stervenshulp alleen toegestaan wanneer er sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, met als grondslag een medisch classificeerbare ziekte of aandoening.

  • Televisie: Gesprek op 2 (2012)

    Add and rearrange any components you want.

    “De meeste mensen maken een zooitje van hun leven omdat ze niet met vrijheid om kunnen gaan.” Het is een van de ferme uitspraken van dwarsdenker en filosoof Joep Dohmen. De ethicus vindt het de hoogste tijd dat wij leren om met andere ogen naar ons eigen leven te kijken. In Gesprek op 2 praat Paul Rosenmoller met professor Joep Dohmen over hebzucht, geluk, ouder worden en levenskunst.

    “Platte zelfgerichtheid, grof gedrag, gemakzuchtig hedonisme, zelfverrijking en zinloos geweld beheersen het alledaagse leven”, vindt Dohmen. Hij is hoogleraar wijsgerige en praktijkgerichte ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht en auteur van onder meer Tegen de onverschilligheid en Over levenskunst. Dohmen staat bekend als iemand die geen blad voor de mond neemt. Hij hekelt de vrijheid-blijheid ideologie van het neoliberalisme en pleit voor een nieuwe publieke moraal.


    levenskunst


    De over-geïndividualiseerde samenleving vindt hij problematisch, want volgens Dohmen kan het gros van de mensen niet omgaan met vrijheid. Ze zoeken naar houvast. Maar als die niet meer te vinden is bij ‘kerk en staat’, waar dan wel? Bij Wilders, een andere willekeurige leider of de buurman? Dohmen wil mensen ervan bewust maken dat ze zelf keuzes kunnen maken om vorm te geven aan hun leven. Dat is wat hij noemt ‘levenskunst’.


    ouder worden


    Goed leren leven met oog en zorg voor de ander. Dat geldt ook voor ouder worden. Hij schreef samen met collega Jan Baars een boek, ‘De kunst van het ouder worden’ over de paradox van de steeds jongere oudere. Terwijl de levensverwachting stijgt en we dus eigenlijk steeds later oud worden, worden we op de arbeidsmarkt steeds vroeger oud genoemd. De vraag is: hoe moeten we daarmee omgaan, wat moet er veranderen om niet als oudere op de schroothoop te belanden en hoe kunnen we zelf als mens zinvol en goed leven?
    In Gesprek op 2 praat Paul Rosenmoller met Joep Dohmen over een andere kijk op ons alledaagse leven en de keuzes die wij daarbij maken.


    over Joep Dohmen


    Joep Dohmen is hoogleraar wijsgerige en praktijkgerichte ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Hij is auteur van onder meer Tegen de onverschilligheid, Brief aan een middelmatige man, De kunst van het ouder worden en Over levenskunst..

    All Posts
    ×