• Mijn visie op levenskunst

    Mijn werk op het gebied van de levenskunst/bestaansethiek beslaat vier clusters van activiteiten. De afgelopen tien jaar heb ik in het voetspoor van Michel Foucault, samen en in discussie met andere filosofen, systematisch de hoofdlijnen van een bestaansethiek of levenskunstmoraal uitgezet. Zelf zie ik levenskunst als een vorm van morele educatie, een actueel soort Bildung, in het bijzonder als een concrete moraal van zelfverantwoordelijkheid. Deze normatieve bestaansethiek wil antwoord geven op de klassieke vraag: hoe moet ik leven? Wat is een zinvol leven in een goede samen­leving? Vertaald naar de actualiteit: hoe kunnen laatmoderne mensen zich hun leven toe-eigenen, hun eigen levensstijl ontwikkelen en met elkaar een zinvol leven leiden?

    Als ik mijn werk op dit gebied overzie, noteer ik vier clusters van activiteiten. Ik ben begonnen met een aantal historische studies: wat hebben anderen over levenskunst naar voren hebben gebracht, van Socrates tot op de dag van vandaag. Ten tweede heb ik me gewaagd aan conceptuele analyses van de begrippen levenskunst en zelfzorg. In het verlengde hiervan hou ik me bezig met metaforen (bijvoorbeeld het leven als reis), narrativiteit (oa. life review, over verhalen die samenhang aan ons leven kunnen geven), temporaliteit (tijdsmodi als duur, ritme, juiste ogenblik) en met motivatie-theorieën, als toespitsingen die ik zelf van bijzonder belang acht. Ten derde ben ik bezig met enkele concrete, praktische toepassingen, in het bijzonder met Bildung van jongeren en met een senioren-academie (levenskunst voor de tweede levens­helft). Voor beide groepen is het van belang om hun speelruimte te ontdekken. Jongeren ontdekken hun actor-zijn en denken dan al gauw dat alles kan. Ouderen dreigen te vergeten dat ze actor zijn en zien geen nieuwe wegen meer. Ten slotte verzamel ik problemen. Ik probeer om niet dogmatisch te zijn en na te denken over de grenzen van de levenskunst. Aan deze activiteiten wijd ik nu enkele korte beschouwingen.

     

    Wat is levenskunst?

     

    Ik heb me lang het hoofd gebroken over het concept levenskunst. Ik denk niet dat we zonder zo’n concept kunnen, maar het is een lastig begrip dat niet alleen onder filosofen onbehagen wekt en misverstanden oproept. Zo verwonderlijk is dat overigens niet. Over allerlei kunsten als schilderkunst en beeldhouw­kunst zijn hele bibliotheken volgeschreven; hetzelfde geldt voor architectuur, muziek, dans en fotografie. Dit zijn ver­schillende, min of meer goed omschreven praktij­ken met eigen regels, criteria en stijl­vormen. Het zijn kunst­vormen waarover allerlei informatie beschikbaar is en waarover men zich een oordeel kan vormen. Het is dus mogelijk om in een leerproces schilder, beeld­hou­wer, componist, ballet­danser of fotograaf te worden. Maar het is helemaal niet duidelijk naar welke praktijk het woord levenskunst verwijst.

     

    De vraag is zelfs of er wel een praktijk mee correspondeert en of het leven wel te leren valt. Veel plannen die we maken, vallen in het water, en de rest lukt ons wellicht bij toeval. Misschien is die hele levenskunst wel een misverstand, een uitwas van de onuitroeibare menselijke verbeterzucht, een idiote fictie. Moeten we niet gewoon erkennen dat het leven ons grotendeels overkomt? Sceptici merken graag op dat het leven niet te leren valt. De menselijke natuur is volgens hen zwak, gammel en slecht. En de cultuur doet daar vaak nog een schepje bovenop. ‘Uit zulk krom hout als de mens is…’ Mensen kunnen met vallen en opstaan hooguit enige levenservaring opdoen. Sommigen lukt het beter dan anderen en dat is dat. ‘Het leven is niet maakbaar’, zeggen de cultuur­pessi­misten dan.

     

    Wat zou dat trouwens kunnen zijn: een kunstwerk van ons leven maken? Dan zouden we toch eerst moeten weten wat voor kunstvorm de levenskunst is. Stel dat iemand aan ons vraagt: ‘Schildert u?’ of ‘Bespeelt u een instrument?’, dan is het antwoord gemakkelijk te geven, omdat we precies weten welke praktijk ermee wordt bedoeld. Bij de vragen ‘Doet u aan levenskunst?’ of ‘Bent u een levens­kunstenaar?’ is dat niet het geval. Daarom weten we er ons niet goed raad mee. Levenskunst klinkt bovendien nog een erg pretentieus. Wie durft er nu openlijk van zichzelf te beweren dat hij een levenskun­ste­naar is?

    Wittgenstein heeft ooit opgemerkt dat de taal ons vaak de verkeerde kant op stuurt. Dat geldt in hoge mate voor het woord levenskunst. Foucault helpt ons enigszins uit de brand als hij de term ‘zorg voor zichzelf’ opvoert. De term ‘zorg’ brengt een andere, veel bredere oriëntatie in het spel dan kunst of dan kunde. Deze brede oriëntatie heeft bovendien als voor­deel dat ze de term levens­kunst weghaalt uit de sfeer van de succesagenda. Zelfzorg betekent dat je als het ware een stap terugdoet en een relatie met jezelf aangaat (rapport à soi). Zelfzorg betekent een vorm van zelfwerkzaamheid met het oog op het verwerven van een eigen houding. Zelfzorg betekent dat je met je eigen houding aan je leven een welbepaalde vorm probeert te geven. Dat moet elk individu zelf voor zichzelf doen, indien mogelijk en nodig geholpen door anderen. Uiteraard kan men ook anderen helpen bij hun vormgeving. Levenskunst is een ontwikkelings­taak, een soort van Bildung. Ze is de poging om zichzelf te verbeteren. Het doel van de eigen levenskunst – wat voor leven men liefst zou willen leiden- hangt natuurlijk nauw samen met de methode (hoe bereik je dat doel) en de context (welke persoonlijke en maatschappelijke speelruimte heb je hier en nu?)

     

    Zelfzorg en speelruimte

     

    Zorg voor zichzelf is een holistisch concept. Mensen zijn complexe wezens met cognitie en emotie, met verlangens en behoeften, met een eigen wil, met allerlei talenten en vaardigheden. Bovendien zijn mensen sociale wezens die voortdurend in positieve en negatieve zin, intentionele en onbewust op elkaar reageren. De samen­hang van al die aspecten moet goed worden doordacht. Aandacht en waarneming, introspectie, reflectie en dialoog, fantasie en verbeelding; emoties en gevoelens, verlangens en motivatie; evalueren en besluiten; oefenen en handelen, al deze ‘dimensies’ haken steeds op elkaar in en vormen een fundamentele, onlosmakelijke samenhang. Uiteraard kunnen zij onderling van elkaar worden onderscheiden, maar in het werkelijke leven vormen ze een organische samenhang. In een goede bestaansethiek worden ze zowel onderscheiden als in hun samenhang overdacht.

     

    Wat er vandaag in ons leven gebeurt, heeft bovendien alles van doen met nabije en wereldwijde invloeden, veranderingen en modes, hoezeer we ons ook proberen te beschermen tegen zulke ‘externe’ factoren. Het posttraditionele individu leeft te midden van de meest diverse, vaak tegenstrijdige en ondoorzichtige krachten­velden. Hiervoor bestaat geen overgeërfde receptuur. Zelfzorg betekent heel concreet, dat men bij het handelen steeds opnieuw de speelruimte onderzoekt waarover men telkens beschikt. Er zijn grenzen aan wat wij vermogen en die grenzen moeten in de zelfzorg zorgvuldig worden onderkend en bewaakt. Zonder enige besef van tragiek dreigt megalomanie. We moeten dus onze speelruimte bepalen en binnen die speelruimte is het aan ons om te ontdekken wat we weten, en op grond daarvan te bepalen wat we willen, om van daaruit te handelen. Naarmate we beter nagedacht hebben, beter geoefend zijn en beter weten wat we willen en hoe we moeten handelen, zal de kwaliteit van ons leven, als we geluk hebben, toenemen. Zo bezien gaat levens­kunst op basis van zelfzorg zowel om controle en beheer, als ook om kwaliteit en de zin van ons bestaan.

     

    Levenskunst, motivatie en authenticiteit

     

    Ik zie levenskunst als een vorm van morele psychologie, een strategie om meer zicht te krijgen op welke waarden voor de toekomst bepalend zijn voor onze identiteit en richtinggevend voor ons leven. Als zodanig heeft zelfkennis ook een belangrijke sturende werking.

     

    Wie zichzelf leert kennen, ontdekt behalve vele illusies gaandeweg hopelijk ook waar het hem uiteindelijk om gaat. Zelfonderzoek is ook de zoektocht naar een levens­vorm of levensstijl waarin iemands fundamentele verlangens tot hun recht komen. Zelfzorg als vormingsproces is dus ook het zoeken naar, uitvinden en scheppen van de eigen oriëntatie. In de loop van mijn biografie tot dusverre heeft zich mijn huidige innerlijke profiel ontwikkeld. Vervolgens komt het aan op vragen aan als: waardoor werd ik tot dusverre gedreven? Hoe wil ik verder gaan? Welke verlangens vind ik minder van belang en welke volities wil ik vanaf hier ontwikkelen? Gaandeweg kan iemand ontdekken wat hij echt wil en in welke oriëntatie hij wil leven.

     

    Identiteit is bovendien ook morele identiteit. Terecht stelt Taylor dat wij ook verantwoorde­lijk zijn voor de morele dimensie van onze houding. Daarom is de zoektocht naar de eigen waarde­oriëntatie, de morele kleur en richting van je leven, tegen de achtergrond van de meest dominante culturele waardenkaders, van doorslaggevend belang. Wie zich buigt over de waarde van zijn verlangens, kan misschien ‘worden wie hij is’, dat wil zeggen authentiek. Dat is een stap verder dan controle – zelfbeheer en weten wat je wilt – en gaat over diepgang: weten wat men echt de moeite waard vindt. De meest fundamentele bezinning op onszelf betreft dus het bepalen van onze diepste motivatie, het ontdekken van de sterke waardering die mijn praktisch handelen zal leiden. Daarmee zal ons leven niet langer een gedachteloos toeval zijn maar, als het lukt, een zinvol leven.

    (uit: levenskunst a la carte, uitgeverij Quist 2013)

    All Posts
    ×