• Nietzsche – Prijs van de vrijheid

    4. Friedrich Nietzsche


    Het soevereine leven van de vrije geest

    Joep Dohmen

     

    Lotgevallen

     

    Op 5 januari 1889 ontvangt Franz Overbeck, theoloog te Basel, net als enkele andere oude bekenden en vrienden van Nietzsche, een van de zogenaamde ‘Wahnsinnszettel’, kleine briefjes waaruit duidelijk blijkt dat Nietzsche gek geworden is. Hij reist onmiddellijk naar Turijn, waar hij Nietzsche inderdaad in zeer verwarde toestand aantreft. Hij neemt hem mee naar Zwitserland, vanwaar Nietzsche wordt overgebracht naar een psychiatrische kliniek in Jena. De laatste elf jaar van zijn leven, van 1889 tot aan zijn dood in de zomer van 1900, was Nietzsche krankzinnig.


    Nietzsches filosofische loopbaan heeft amper twintig jaar geduurd. In zijn werk heerst een enorme spanning. Nietzsche wilde niet ver¬strooien, er stond voor hem iets op het spel. Hij koesterde een diepe afkeer van de aankomende mas¬sacul¬tuur. Nietz-sche zag zichzelf als een arts van de westerse cultuur. Hij streed voor een authen-tieke stijl van leven, die door de Verlich¬ting en de opkomst van wetenschap en techniek weliswaar moge¬lijk was gemaakt, maar tegelijkertijd door diezelfde moderniteit in de kiem dreigde te worden ge¬smoord. Nietzsche doorzag de opkomst van het nihilisme. In zijn moraalfilosofie probeerde hij dit nihilisme te overwinnen. Dat gevecht heeft hij dus niet af kunnen maken.

     

    Het leven van Nietzsche


    Friedrich Nietzsche leefde van 1844 tot 1900. Hij was kunstenaar (schrijver, dichter en musicus) en psycholoog, maar eerst en vooral cultuurfilosoof. Hij werd geboren in een klein dorp¬je in het voorma¬lige Oostduitsland, Röcken. Zijn vader was een domi-nee, zijn moeder een vrome, tamelijk puriteinse vrouw. Het voorge¬slacht van Nietzsches beide ouders telde een lange reeks predikanten. Als Nietzsche vijf jaar oud is, sterft zijn vader. Voortaan wordt hij opge¬voed te midden van vrouwen: zijn grootmoeder, zijn moeder, zijn twee tantes en zijn zus Elisa¬beth. Hij is een trotse knaap, erg muzikaal en, dan al, een behoor¬lijke Ein¬zelgänger. Hij trekt veel op met zijn zus die hij niet zonder ironie ‘das Lama’ noemde: een lastdier dat spuwt als haar iets niet bevalt.
    Later zal Elisabeth zich aansluiten bij een antisemitische groepering, waarna Nietzsche niets meer met haar te maken wil hebben. Vanaf 1889, de uitbraak van zijn waan¬zin tot aan haar eigen dood in 1934, heeft Elisabeth het Nietzsche-Archiv in Weimar beheerd en was er niemand die zonder haar toe¬stemming inzage kreeg in de manuscripten. Pas na haar dood heeft men ontdekt dat Elisabeth flinke delen van Nietzsches werk heeft vervalst, door al naargelang het haar uitkwam, stukken tekst uit nog niet gepubliceerd werk weg te la¬ten, te veranderen of an¬ders te ordenen. Het ging dan vooral over de joden, over Duit¬sers, over het christendom en natuurlijk over haarzelf. Pas vanaf de jaren zestig hebben twee Italianen, Colli en Montinari, Nietzsches werk van alle bedrog gezuiverd en een betrouwbare teksteditie samengesteld, de Kritische Studien Ausgabe (KSA).

     

    Internaat en studie


    In 1858, als Nietzsche veer¬tien is, krijgt hij een plaats op een in¬ternaat, Schul¬pforta, dat veel beroemde figuren zoals Klopstock, Novalis, Fichte en Ranke onder zijn oud-leerlin¬gen telde. De jongens worden er op Spartaanse wijze opgeleid: om vijf uur opstaan en dan bidden, eten, lessen volgen, studie, wandelen, weer gebed, eten, studie en zo door tot ’s avonds negen uur. Nietzsche is nooit vies geweest van orde en tucht, maar deze kadaverdis¬cipli¬ne ging hem toch echt te ver.
    Hij gaat daarna eerst theologie studeren, geheel in lijn met zijn afkomst, maar dat bevalt hem helemaal niet en al na twee semesters wijkt hij uit naar de klassieke talen. Van oorsprong is Nietzsche dus geen filosoof, maar een classicus. Op zijn 24ste, in 1868, wordt hij be¬noemd tot hoogle¬raar in de klassieke talen. Toch is Nietz-sche nooit een zuivere classicus en filoloog geweest. Hij moet eerst en vooral als cultuurfilosoof gezien worden.

     

    Hoogleraarschap


    Vanaf die periode, dus rond 1870 ont¬wik¬kelt zich zijn acade¬mische loopbaan als filo-loog, die slechts tien jaar geduurd heeft en die verre van succesvol zal verlo¬pen. Tijdens zijn hoogle¬raar¬schap ontwikkelt zich een complex ziektebeeld: zware hoofdpijnen, pijn aan de ogen – Nietzsche zag zeer slecht – maagklachten, hevig braken, uit¬mondend in een totaal ¬gevoel van malaise. Zijn ziekteaanvallen duren soms enkele dagen en keren voort¬durend terug. In de praktijk be¬tekent dit dat Nietzsches hoog¬leraar¬schap op den duur niet kan worden gecontinu¬eerd. In mei 1879 volgt dan ook het defini¬tieve opgeven van zijn profes¬soraat. Nietzsche wordt op 34-jarige leeftijd arbeidsongeschikt. In deze eerste periode heeft Nietzsche boeken geschreven als De geboorte van de tragedie, Oneigentijdse beschouwingen en Menselijk al te menselijk.

     

    Zwerftocht door Zuid-Europa


    Daarna begint hij aan een zwerftocht door Mid¬den- en Zuid-Euro¬pa (1879-1889). In deze tien jaren is hij van kuuroord naar kuu¬roord getrokken, naar war¬me, zonnige oor¬den als Venetië, Genua of Turijn in Italië, of in de winter naar Nice in Zuid–Frankrijk. Zijn voornaamste halteplaats was Sils Maria, een prachtig Zwitsers bergdorpje in het Engadin bij St. Moritz. Daar vond Nietzsche in de zomer rust, en voelde hij zich doorgaans betrek¬kelijk gezond. Tijdens wande¬lingen en dagmarsen door het hoog¬ge¬bergte maakte hij er zijn aante¬ke¬ningen en schreef hij zijn belangrijkste werken : De vrolijke wetenschap, Aldus sprak Zarathustra, Voorbij goed en kwaad, en De genealogie van de moraal. Zodra het weer omsloeg en hij zich weer be¬roerd begon te voelen, zocht hij zijn heil in het zuiden, vooral in Zuid-Frankrijk en Midden-Italië.


    In deze periode vereenzaamt Nietzsche sterk. We moeten daarbij wel bedenken dat deze eenzaam¬heid goeddeels zelf¬ geko¬zen was, omdat hij alle tijd aan zijn filosofie wilde besteden. Tegelijk had hij zonder twijfel behoefte aan echte vriendschap. ‘Ach, had ik maar een paar ver¬standige vrien¬den die mij op het juiste moment tegen mij¬zelf in be¬scher¬ming na¬men’, merkte hij eens vertwijfeld op. Het feit dat hij, op Peter Gast na die hem regelmatig opzocht en boeken bracht, verder geen vrienden had, bekwam hem slecht en werd hem mis¬schien zelfs uiteindelijk noodlottig.


    Op zijn 44ste zakt Nietzsche in Turijn op straat in elkaar. Er is een beroemd, apocrief verhaal dat Nietzsche op de Piazza Carlo Alberto om de hals van een paard zou zijn geval¬len, dat door zijn koet¬sier met een zweep werd mis¬han¬deld. De trotse Nietzsche, die zo’n geweldige hekel had aan medelijden omdat hij vond dat mede-lijden men¬sen eerder om¬laag¬haalt dan hen sterker maakt, zou als laat¬ste bewuste act mede¬lijden met een mishan¬deld dier hebben gehad. Dit is vrijwel zeker een ordinaire roddel, vergelijkbaar met de roddel over de atheïst Voltaire die op zijn sterfbed om een priester geroepen zou hebben.

     

    Het einde


    Nietzsches actieve loopbaan heeft dus hooguit twintig jaar geduurd, van 1869 tot 1889. Over de oorzaak van zijn waan¬zin bestaan verschillende hypo¬thesen. Erfelijke belasting, hersenverweking, pathologische jaloezie jegens Wagner, de straf van God. De meest plausibele verklaring lijkt syfilis, maar eerlijk gezegd weten we het niet. De Leuvense filo¬soof Samuel IJsseling heeft over Nietzsches waanzin gezegd:

    ‘Nietzsche heeft zijn leven lang gewor¬steld met de feitelijke filosofie. De strijd met de en¬gel – de bood¬schap¬per en de boodschap – heeft hij tot aan de dageraad volgehouden en evenals Jacob uit het Oude Verbond is hij niet ongedeerd uit die strijd te¬voor¬schijn gekomen. Was aan het eind van de nacht Jacobs heup ont¬wricht en moest hij verder mank door het leven gaan, Nietzsche heeft psychisch letsel opgelopen waaraan hij uiteindelijk te gronde is gegaan.’
    (Samuel IJsseling, Retoriek en Filosofie, 130/131).

    Na de behandeling in Jena werd hij door zijn moeder en zus ver¬zorgd. Hij was een rustige patiënt, niet meer aan¬spreek¬baar tot aan zijn dood in 1900. In zijn ouderlijk huis bood hij aan de ramptoe¬ris¬ten die deze ber¬oemde gek wilden bezichtigen, in de woorden van Willem Elsschot, ‘bewe¬gings¬loos en zwij¬gend, een godver¬geten aan-blik.’

     

    Privé-leven?


    Het is verleidelijk om te speculeren over het privé-leven van een flamboyant auteur als Nietzsche. Wat moet dat met die eenzaamheid? Waren er dan geen vrouwen in zijn leven? Hoe kwam het tot een breuk met Wag¬ner? Was Nietzsche dan geen machtswellusteling? Hoe zat het met die ziekte? Waardoor is hij krankzinnig geworden?
    Het antwoord kan kort zijn. Nietzsche had geen privé-leven als men daaron¬der verstaat wat men er tegen¬woordig zo graag onder wil verstaan: goede tijden en slechte tijden, een complex familieleven, affaires met vrou¬wen, scheidingen en verbintenis¬sen, bizar¬re lotge¬vallen, ‘oud geld’. Nietzsche was van begin tot einde een origineel denker. Hij bezat een denk¬organisme dat ieder moment van de dag in vol bedrijf was en geen enkele onderbre¬king ver¬droeg, tenzij die door de natuur in de vorm van ziekte werd afgedwongen. Hoewel, juist zulke onderbrekingen brachten niet zelden zijn meest vruchtbare overdenkingen teweeg.


    Nietzsches motto was: ‘Ich trach¬te nach meinem Wer¬ke’, ofwel mijn werk, mijn denken is mij hei¬lig. De ene na de andere gedachte kwam in hem op, de ene na de ande¬re aan¬teke¬ning vloei¬de uit zijn pen, in de meest willekeuri¬ge volg¬orde. Het lijkt er sterk op alsof Nietzsche op meer spo¬ren tege¬lijk dacht, ongeveer zoals Thomas van Aquino aan drie ver¬schillende se¬cretarissen tegelijk drie totaal ver¬schil¬lende betogen dic¬teerde. In bepaalde periodes las hij met grote intensiteit, de rest van zijn tijd redigeerde hij zijn teksten. Kortom: Nietzsches filoso¬fisch werk is zijn auto¬bi¬o-grafie. Zijn privé-leven wás zijn den¬ken en veel meer was er niet. Nietzsches lotgevallen moeten we dan ook kwali¬ficeren als de avonturen van zijn geest.

     

    Nietzsches filosofische stijl en thematiek


    In Nietzsches werk komen vrijwel alle cultuuruitingen aan bod: wetenschap, kunst – vooral muziek, maar ook literatuur -, religie en moraal. Hij schrijft ook veel notities over de filosofie zelf. De Franse filosoof Gilles Deleuze heeft een boek heeft geschreven onder de titel: Nietzsche et la philosophie (1965). Nietzsche stort zich niet meteen in de filosofie maar gaat als het ware opzij staan. Hij bestudeert wat het betekent om een filosoof te zijn. Wat doet een filosoof eigenlijk en wat wil hij met zijn werk?


    Volgens Nietzsche is de meeste filosofie decadent en een vorm van ziekte. Filosofen zijn doorgaans gemankeerde geesten die hun onvermogen met het leven in teksten proberen te sublimeren. Ook zijn eigen filosofie is naar eigen zeggen eerst en vooral autobiografie. In Nietzsches werk is van alles te vinden: invallen, bespiegelingen, analyses en commentaren op allerlei aspecten van het menselijk bestaan. Wat is de betekenis en functie van kennis, en waarom willen mensen de waarheid weten? Waarom hebben mensen geloof nodig? Welke rol dient de kunst? Verder zijn er tal van psycholo¬gische obser¬va¬ties te vinden over allerlei omgangsvormen, over macht en onmacht, over liefde tussen mannen en vrouwen, of over wat door¬gaat voor liefde.


    Het favoriete onderwerp van Nietzsche is de moraal. Hij schreef ontelbare notities over de gangbare westerse moraal en wat daarin naar voren gebracht is over goed en kwaad. Zijn werk is een onderzoek naar deugden en waarden en handelt over de betekenis en het belang van eer¬lijk¬heid, medelij¬den, dankbaar¬heid, recht¬vaardig-heid en macht. Nietzsches werk draagt een zeer eigen stempel. Het is doorleefd en scherpzinnig. Het is niet frivool maar wel vrolijk en vitaal. Het is zelden of nooit bitter of rancuneus. Het is fundamenteel maar niet fundamentalistisch. Het zit vol pathos en is soms pathetisch. Het is qua vorm zeer eigenaardig en omvat duizenden korte teksten die een verre van systematische samenhang vormen. Het is een magisch oeuvre, nergens ziet de lezer het zweet op het voorhoofd van de auteur staan. Nietzsche was een taal¬virtuoos die gaandeweg zijn eigen stijl ontwik¬kelde. Dat is al zichtbaar aan de titels van zijn boeken: Menselijk, al te menselijk; Morgenrood; De vrolijke wetenschap; Voorbij goed en kwaad.

     

    De classicus Nietzsche kende en beheerste de retorica: ‘In Duitsland wist alleen de predikant hoeveel een lettergreep of een woord weegt, in hoeverre een zin treft, springt, valt, loopt, uitloopt: alleen hij had een geweten in zijn oren en vaak was dat een slecht geweten… Het meesterwerk van het Duitse proza is dan ook het meesterwerk van zijn grootste predi¬kant: de bijbel was tot dusverre het beste Duitse boek.’
    (Voorbij goed en kwaad, 247).

     

    Nietzsche doelt hier op de bijbelvertaling van Maarten Luther. Nietzsche zelf was de zoon van een predikant en stamde uit een lange reeks van predikanten en dominees, die beroepshalve gespitst zijn op de belangrijke rol van het woord en de effecten van de taal. Bovendien was hij zelf filoloog, en daarmee een ‘goudsmid van het woord’. Dat geldt voor het schrijven en het lezen, de kunst om ‘ter zijde te gaan staan, zich tijd te gunnen, stil te worden, langzaam te worden.’ Zo wilde Nietzsche zelf ook door ons gelezen worden: ‘lang¬zaam, indringend, omzichtig en voorzichtig’ (Morgenrood, 5)

     

    Herenmoraal en slavenmoraal

     

    Gedurende zijn tien jaar durende hoogleraarschap in Basel hechtte Nietzsche grote waarde aan zijn uiterlijk. In die functie wilde hij onmis¬kenbaar een zekere dis¬tinctie tentoonspreiden. In de dagelijkse omgang was hij ga¬lant en hoffe¬lijk. Regelma¬tig wordt in de lite¬ra¬tuur gerept van zijn zach¬te stem, de vriendelij¬ke houding en de égards waar¬mee hij mensen beje¬gende. Ongetwijfeld stileerde Nietzsche een houding van voornaam¬heid. Hij wilde zich¬zelf niet opdrin¬gen aan ande¬ren, tegelijk konden anderen zelden tot hem doordringen. Hij hield er een soort pathos der distantie op na.

     

    Ongelijkwaardigheid


    Het thema van de juiste afstand speelt een belangrijke rol in Nietzsches leven en werk, zowel in zijn eigen leven als in zijn moraalfiloso¬fie. De ach¬tergrond daar¬van is zijn over¬tui¬ging dat mensen niet gelijkwaardig zijn. Deze opvatting klinkt ons, vlees-ge¬wor¬den demo¬craten, behoorlijk vreemd en zelfs onaangenaam in de oren. Nietzsche lijkt allesbehalve een sympathiek, mensvriendelijk, kortom humanistisch filosoof. Mensen zijn verschillend, ongelijk dus, en ze zijn ook ongelijkwaardig. Deze ongelijkheid kent verschillende aspecten:

     

    – de werkelijkheid verandert voortdurend en wij veranderen mee. Het hele leven is een complex gebeuren. Dat is altijd een wezenlijk punt in Nietzsches werk geweest. We worden niet alleen geboren, we groeien op, worden ouder en sterven. Op elk moment van ons leven zijn we in beweging en voltrekken zich allerlei veranderingen aan ons. We zijn op geen enkel moment identiek aan onszelf.


    – in biologisch opzicht zijn mensen niet gelijk aan elkaar. Er zijn minstens twee verschillen¬de geslachten. Het sekseverschil maakt mannen en vrouwen heel verschillend.
    – in sociaal en economisch opzicht zijn mensen niet gelijk. We spelen allerlei onderling sterk verschil¬lende sociale rollen. Op de maatschappelijke ladder nemen we verschillende posities in ten opzichte van elkaar.


    – ten slotte zijn er grote culturele verschillen tussen volkeren en individuele leden daarvan. De verschillen in cultureel kapitaal – opvoe¬ding, moraal, le¬vensbeschou-wing et cetera – zijn enorm.

     

    Nietzsche stelt dus dat alle mensen verschillend zijn van elkaar, dat mensen niet gelijk zijn en dat elk mens uniek is. Twee mensen zijn altijd twee verschillende men-sen met een ver¬schillende persoonlijk¬heid, en we moeten vooral niet doen alsof die ver¬schillen niet bestaan. Dit is allemaal vrij evident, hoewel het een waarheid is die niet altijd even gemakkelijk is. Nog veel ongemakkelijker is echter dat die verschillen volgens Nietzsche zwaar tellen. Ze maken volgens hem dat mensen ook werkelijk ongelijkwaardig zijn. Welke maatstaf heeft Nietzsche daarbij op het oog?

     

    Nietzsches visie op moraal


    Nietzsche staat bekend als een groot moraalcriticus, niet alleen van de christelijke moraal maar de westerse moraal überhaupt. Om dat te begrijpen moeten we weten wat de basis is van zijn kritiek en waar hij zelf staat. Was Nietzsche een immoralist die zelf het kwaad predikte? Was hij een amoralist die een positie buiten de moraal innam? Of was hij zelf een criticus van de moraal, zij het op basis van een eigen morele positie? In het boek Morgenrood geeft hij een belangrijke en verhel¬derende toelichting op zijn standpunt:

    ‘Er zijn twee soorten ontkenners van de zedelijkheid. – “de zedelijkheid ontkennen” – dat kan ten eerste betekenen: ontkennen dat de zedelijke motieven die de mensen opgeven, hen werkelijk tot hun handelingen gedreven hebben, – het is dus de bewering dat de zedelijkheid uit woorden bestaat en deel uitmaakt van de grove en verfijnde bedriegerij (zelfbedrog vooral) van de mensen, en wellicht juist het meest bij hen die om hun deugd het meest beroemd zijn.


    Vervolgens kan het betekenen: ontkennen dat de zedelijke vermogens op waarheden berusten. Hier wordt toegegeven dat ze werkelijk motieven tot handelen zijn, maar dat op deze wijze dwalingen, als fundament van alle zedelijke oordelen, de mensen tot hun morele handelingen drijven.


    Dit is mijn gezichtspunt: toch zou ik de laatste willen zijn om te miskennen dat in zeer veel gevallen een verfijnd wantrouwen in de trant van het eerste gezichtspunt, dus in de geest van La Rochefoucauld, ook terecht is en in elk geval van het hoogste algemeen belang. – Ik ontken dus de zedelijkheid zoals ik ook de alchimie ontken, dat wil zeggen, ik ontken haar uitgangspunten: niet echter dat er alchimisten geweest zijn die in deze uitgangspunten geloofden en ernaar handelden. – Ik ontken ook de onzedelijkheid: niet dat talloze mensen zich onzedelijk voelen, maar dat er in de waarheid een grond bestaat om zich zo te voelen. Ik ontken niet, zoals vanzelf spreekt, – ervan uitgaande dat ik niet gek ben – dat veel handelingen die onzedelijk heten, vermeden en tegengegaan dienen te worden; evenmin dat vele die zedelijk heten gedaan en bevorderd moeten worden, – maar ik bedoel: zowel het een als het ander op andere gronden dan tot dusver. Wij moeten anders gaan leren, – om tenslotte, misschien wel heel laat, nog meer te bereiken: anders gaan voelen.’
    (Morgenrood 103)

     

    Nietzsche was zeker geen immoralist. Hij ontkent niet dat er vele immorele daden moeten worden tegengegaan. Hij ontkent ook niet dat er vele zogenaamd morele daden wel moeten worden gedaan. Hij voelt zich voor een deel verwant met Franse moralisten als La Rochefoucauld die er behagen in scheppen om zogenaamde deugden te ontmaskeren als eigenbelang (zie hoofdstuk 2). Hij ontkent ook niet dat mensen vaak morele motieven aanvoeren en hanteren bij hun gedrag. Maar hij ontkent wel dat die morele motieven (waarden) een fundament hebben in een of andere absolute, universeel geldige waarheid. Dat is het standpunt geweest van Plato en het christendom, en het domineert volgens Nietzsche de westerse moraal. Bovendien wekt Nietzsche de suggestie dat hij zelf niet alle morele standpunten wil verwerpen alleen maar omdat ze dus onwaar zijn. Misschien moeten we ze verwerpen, of misschien moeten we ze ook wel handhaven, maar dan wel op geheel andere gronden dan gebruikelijk.


    Voor Nietzsche heeft de moraal geen natuurlijke of bovennatuurlijke grondslag. In Aldus sprak Zarathustra zegt hij het zo:

    ‘Voorwaar, de mensen gaven zichzelf al hun goed en kwaad.
    Voorwaar, ze namen het niet, ze vonden het niet, niet daalde het op hen neer als stem uit de hemel. (…)


    Eerst door het bepalen van waarden ontstaan waarden: en zonder het bepalen van waarden zou de noot van het bestaan hol zijn. Hoort het aan, o scheppers!’ (Aldus Sprak Zarathustra, Van duizend-en-een-doel, 61)

     

    Waarden zijn een kwestie van conventie. De meeste mensen houden zich volgens Nietzsche aan de heersende morele regels omdat ze bang of lui zijn. Ze nemen ander¬mans oordelen over omdat afwijken alleen maar ongemak, weerstand en ellende oplevert. Volgens Nietzsche zijn er maar heel weinig mensen die een eigen ver¬hou¬ding tot de concrete handelingssituatie zoeken. Mijn eigen waardeoordeel hebben betekent dat ik, hier en nu, ook werkelijk zo wil handelen als ik doe[Morgenrood 104].
    In de loop van zijn werk heeft Nietzsche gaandeweg zijn eigen houding tegenover de moraal gevonden. Het is een volstrekt unieke positie in de geschiedenis van het westerse denken. De beste samenvatting daarvan staat in zijn boek Voorbij goed en kwaad, waar Nietzsche twee soorten van moraal onderscheidt:

    ‘Tijdens een omzwerving door de vele fijnere en grovere soorten moraal die tot dusver op aarde hebben geheerst of nog heersen, ontdekte ik dat bepaalde kenmerken regelmatig terugkeerden en met elkaar samengingen: tot zich ten slotte twee grondtypen aan mij openbaarden en er een fundamenteel onderscheid naar voren sprong. Er is een herenmoraal en een slavenmoraal […]

     

    De mens van het voorname type is voor zijn gevoel zelf waardebepalend, hij heeft geen goedkeuring nodig, hij oordeelt ‘wat voor mij schadelijk is, is schadelijk als zodanig,’ hij ziet zichzelf als iets waaraan de dingen pas hun eer ontlenen, hij is waardenscheppend. […] De voorname mens eert in zichzelf de machtige én degene die macht over zichzelf heeft, die weet te spreken en te zwijgen, die met genoegen strengheid en hardheid jegens zichzelf betracht en eerbied voor al het strenge en harde heeft […]

     

    Anders is het gesteld met het tweede type moraal, de slavenmoraal. […] Het oog van de slaaf beziet de deugden van de machtigen met afgunst […] hij heeft een subtiel wantrouwen tegen al het ‘goede dat daar geëerd wordt […] Omgekeerd worden die eigenschappen te voorschijn gehaald en met licht overgoten, die ertoe dienen de lijdenden het bestaan te verlichten: hier komen het medelijden, de gedienstige, hulpvaardige hand, het warme hart, het geduld, de vlijt, de deemoed, de vriendelijkheid tot eer en aanzien -, want dat zijn hier de nuttigste eigenschappen en bijna de enige middelen om de druk van het bestaan te verdragen. De slavenmoraal is in essentie een nuttigheidsmoraal.’ (Voorbij goed en kwaad, 260)

     

    Nietzsche als genealoog


    Nietzsche is een genea¬loog. Een genealoog is iemand die de afstamming onder¬zoekt van een familie door het opstellen van een stamboom. Als wij, moderne individuen, de blaadjes zijn aan de stamboom van de westerse cul¬tuur, dan onder¬zoekt Nietzsche de takken waaraan wij zitten, onze stam en uiteindelijk onze wor¬tels. Ons weten, ons geloof, onze kunst, onze normen en waarden en onze gedragingen op grond daarvan, hoe heeft dat alles bezit van ons geno¬men en waardoor zijn wij geworden wie wij nu zijn? Dat is de in¬valshoek die Nietzsche kiest.


    Hij gaat dus niet uit van een moraal die voor eens en altijd geldig is, integendeel. Hij vraagt zich af waar de westerse moraal vandaan komt : hoe zij is ontstaan ? Wie heeft haar geformuleerd ? Waarom had men haar destijds nodig, en hoe heeft ze zich verder ontwikkeld? Hij probeert dus achter de coulissen te kijken: hoe hebben het Griekse culturele erfgoed, het chris¬tendom, de we¬tenschap, het Verlichtings¬denken, de tegenbeweging van de Romantiek geleid tot de laatmoderne westerse moraal? Hij pro¬beert te ontdekken welke waarden de late moderni¬teit domine¬ren. Wat voor mensen zijn wij geworden?


    Dezelfde genealogische beweging maakt Nietzsche als psycholoog. Wat zit er achter iemands woor¬den, achter iemands gedrag? Waarom wil iemand per se iets weten, waarom heeft hij juist dit soort van ant¬woord nodig? Waar¬om is iemand solidair, waarom heeft iemand medelijden? Nietzsche zoekt geen gemakkelijke antwoorden. Hij is geen cultuurpessimist die altijd overal alleen maar eigenbelang ontdekt. Nietzsche is een veel subtieler denker. Volgen hem kan het best zijn dat iemand inderdaad sociaal handelt vanuit een innerlijke rijk¬dom. Maar het kan ook heel goed zijn dat iemand schijnbaar krachtig optreedt, maar intussen nog maar net overeind blijft, juist dankzij de macht die hij over de ander kan uitoefenen.


    Nietzsches grondovertuiging is dat mensen doorgaans veilig¬heid en zeker¬heid zoeken. Ze wil¬len bescherming, zoeken steun bij elkaar en bij allerlei vormen van kennis, geloof en moraal. Ze zijn op zoek naar garanties tegen de fundamentele be-staansonze¬kerheid die ieder van ons elke dag aan den lijve ervaart, of het nu gaat over angst en onlust, vermoeidheid en teleurstelling, fysieke pijn, onze sterfelijkheid, macht en geweld, of de talloze misverstanden en conflicten tussen mensen en groepen mensen. Het is de menselijke conditie zelf die maakt dat mensen steun zoeken in een algemene moraal. Mensen zijn fundamenteel kwetsbaar. Ze zoeken een levensverzekering in de vorm van een soort ‘combipolis’: zolang u maar in God gelooft, zolang u de wetenschap volgt, zolang u zich aan deze moraal houdt, zolang u zich maar aanpast en netjes gedraagt, komt het wel goed met u. Hier ligt de nietzscheaanse problematiek bij uitstek: de menselijke queeste naar bestaanszekerheid.
    Nietzsche heeft al die verzekeringen nagelopen en zijn conclusies getrokken. Indien zo’n verzekering wordt aangeboden, is het een poging van een of andere instantie, natie, organisatie of levensbeschouwing om mensen te normaliseren, te controleren en daar¬mee van hun eigen visie en karakter te ontdoen.
    Maakt Nietzsches werk qua vorm een fragmentarische indruk, daarachter gaat dus een uiterst consistent moraalfilosofisch programma schuil.

    Anders leren denken en voelen over moraal
    Over moraal zei Nietzsche in Morgenrood 103: ‘Wij moeten anders gaan leren, – om tenslotte, misschien wel heel laat, nog meer te bereiken: anders gaan voelen’. Het criterium voor het goede is voor Nietzsche niet ‘de’ waarheid: er bestaat geen ontologisch fundament voor moraal. Het criterium voor het goede is voor Nietzsche of iets levensbevorderend of levensontkennend, gezondmakend of ziekmakend, vitaliserend of verzwakkend, sublimerend of rancunebevorderend uitwerkt.


    Nietzsche biedt een dieptepsychologie van het ‘lijden’, opgevat als leren omgaan met de bestaansonzekerheid. Je moet leren lijden, dat bedoelt Nietzsche met ‘anders leren voelen’. Het gaat dan niet om leren lijden in de christelijke zin door eraan te willen ontsnappen, maar om het aangaan van het lijden. Nietzsche wil mensen vitaliseren, leren leven uit eigen kracht, en daarom brengt hij zelf een ethiek van de voornaamheid, van zelfrespect en eergevoel.


    Zelfrespect ontwikkelt degene die erin slaagt om niet bang te zijn, niet lui te zijn, die moedig het onzekere leven tegemoet treedt. Je moet geen slachtofferrol op je nemen. Je moet jezelf niet opblazen, niet groter maken dan je bent. Maar je moet jezelf ook niet afwijzen, niet te laag inschatten, onderwaarderen, kleineren. Je moet, zoals Max Scheler na Nietzsche heeft opgemerkt, het ressentiment in de moraal geen kans geven. Kortom: je moet een levenslange strijd voeren tegen de slaaf in jezelf.

     

    Herenmoraal en slavenmoraal


    Dat mensen onge¬lijk¬waar¬dig zijn betekent voor Nietzsche: er zijn sterke¬re en zwakke¬re, hogere en lagere indi¬vidu¬en, ofwel: heren en slaven. Heren zijn degenen die de levensverzekeringen afwijzen en de bestaansonzekerheid met open vizier tegemoet treden. Nietzsches moraalfilosofie staat in dienst van de heren, van een ‘Herrenvolk’, hetgeen later zo dramatisch verkeerd is uitgelegd. Nietzsches angst betreft de triomf van het kleine, slaafse leven, dat fundamenteel onverschillig staat tegenover de uniciteit van het eigen bestaan, tegenover de kansen die het leven aan elk mens biedt. Slaaf is degene die de be¬staans¬on¬zeker¬heid ontkent en het leven niet durft te nemen zoals het werke¬lijk is. De slaaf con¬for¬meert zich aan de regels van de groep, en geeft zich gretig over aan de mas¬sacul¬tuur en haar ver¬strooiing en amuse-ment. Hij vlucht in het partij¬programma of in het fundamentalisme dat hem eeuwig heil belooft – met engelen of maagden. De slaaf is het vlees¬gewor¬den res¬senti¬ment dat zich nestelt in het marte¬laar¬¬schap. Nietzsche vreesde het ergste: een cultuur waarin de slaven¬mo¬raal de eindzege behaalt.

     

    3 Voorbij de dood van God

     

    Nietzsches werk bevat een vlijmscherpe diagnose van de moderne tijds¬geest. Zijn analyses gaan over de afnemende invloed van de christelijke religie en de toenemen-de secularisering, over de opkomst van wetenschap en techniek, over het verdwijnen van tradities en conventies, over de gestaag vorderende individualisering en de stand van de moraal. Alle uithoeken van de moderne ziel worden verkend. Het bracht Nietzsche tot de vraag: wat voor soort mens brengt onze moderne cultuur voort?

     

    De opkomst van het nihilisme


    De moderniteit is eerst en vooral een emancipatie¬beweging en wordt gekenmerkt door de opkomst van de (natuur)weten¬schap en de ‘wending naar het subject’: de mens wordt in staat geacht om zich zelfstandig en met behulp van zijn verstand van alle bijgeloof en dwaling te ontdoen. Descartes stelde het menselijk bewustzijn centraal en benoemde de mens tot ‘meester en bezitter van het universum’. Kant riep de individuele mens op tot mondigheid en propageerde de rationele, morele autonomie. De Romantiek vormde een tegenbeweging tegen het al te optimistische vooruitgangsgeloof van de Verlichting en stelde zich de vraag: kan het verstand niet gemakkelijk voor verkeerde doeleinden worden gebruikt? Het wantrouwen tegen de rede culmineerde bij de romanticus Rousseau in een pleidooi om te luiste¬ren naar de eigen, innerlijke stem en een oproep tot authenticiteit.
    De negentiende-eeuwse positivistische wetenschap acht zich in staat en op de goede weg om de fysieke en sociale werkelijkheid verregaand onder controle te krijgen. In het voetspoor van de natuurwetenschap ontwikkelt zich technologie die de opheffing van schaarste en andere natuurlijke hindernissen beoogt. Bovendien vindt intussen de opkomst plaats van nieuwe democratiseringsbewegingen zoals het liberalisme, socialisme en communisme. Marx en Engels legitimeren de strijd van de arbeidersklasse.


    Veel van deze moderne ontwikkelingen zijn erop gericht het leven van de westerse mens te vergemakkelijken en te veraangenamen. De natuurkrachten moeten beter onder controle worden gebracht, het bijgeloof opgeheven, de ongelijkheid tussen mensen afgeschaft. De mens moet eindelijk zijn eigen verstand eens gaan gebruiken. Tot diep in de negentiende eeuw heerst in brede kringen een groot optimisme en zelfvertrouwen over de toekomst van Europa. Het pad van de moderniteit is uitgestippeld: wijzer, hoger, vooruit.

     

    In de negentiende eeuw voltrekken zich diepgaande wijzigingen in het maatschappelijke en culturele land¬schap. De autoriteit van het traditionele gezag blijkt minder en minder evident, gemeenschappelijke doelen worden niet meer zo gauw nagestreefd. Het tijdperk van instituties en tradities raakt ten einde. De onstuitbare emancipatie van burgers, arbeiders en gelovi¬gen, de secularisering en in brede zin de toenemende individualisering, betekenen het einde van het gemeenschapsleven en de opkomst van de massamaatschappij.


    Nietzsche peilt de toestand van de moderne ziel en doet een onthutsende ontdekking: ‘Wij allen zijn geen materiaal meer voor een samenleving – dat is een waarheid waar het nu tijd voor is!’ Door toedoen van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen vindt in hoog tempo een desintegratie van het dominante christelijke zingevingskader plaats. Het moderne individu wordt dan ook meer en meer het verzamelpunt van een eindeloze stroom nieuwe indrukken; Nietzsche spreekt van ‘een kosmopolitisme van spijzen, literatuur, kranten, vormen en smaken’.
    Men zou over een sterke en flexibele persoonlijkheid moeten beschikken om aan dit actuele pluralisme op eigen wijze het hoofd te kunnen bieden. Maar daaraan ontbreekt het nu juist in de moderniteit. De moderne mens is niet toegerust voor een natuurlijk zelfvertrouwen en heeft Kants mondigheid en Mills vrijheid ook niet vanzelf tot zijn beschikking. Veeleer vieren opportunisme, toneelspel, vluchtigheid en verstrooiing hoogtij. De moderne mens pro¬beert alles uit en wijst alles af op zoek naar een werkelijk houvast, aldus Nietzsche: ‘We storten ons halsoverkop in de meest tegengestelde waarderingen.’ Tal van moderne individuen voeren levensgevaarlijke experimenten uit met zichzelf: ‘We snijden onszelf aan stukken, zoveel is zeker, wij notenkrakers van de ziel!’ Geen enkele morele inhoud blijkt duurzaam en de pure vorm regeert. Het moderne individu imiteert en parodieert, het is acteur geworden. Daarom spreekt Nietzsche liever in termen van ‘de moderne verduistering’ dan van ‘de Verlichting’.


    De gangbare moraal van de moderniteit blijft nog altijd zeer traditioneel. De negentiende-eeuwse moraal – de kantiaanse plichtsmoraal, Schopenhauers moraal van het medelijden, de utilistische moraal van het grootste geluk voor zoveel mogelijk mensen – verraadt een diepe schatplichtigheid aan de christelijke moraal. Nietzsche koestert een sterk wantrouwen tegen deze ‘slavenmoraal’, omdat deze de ontheemde mens allesbehalve geestelijk weerbaar maakt. De oude moraal heeft zichzelf overleefd, zonder dat een nieuwe zich al heeft aangediend.


    De moderniteit is het tijdperk van de ontbinding van de klassieke betekeniskaders en de gemeenschapsvormen waarin het traditionele levensbeschouwelijke en morele houvast werd gerepresenteerd. Op termijn heeft dit proces van ontbinding verregaande consequenties. Aan het eind van de negentiende eeuw kondigt Nietzsche de komst van het nihilisme aan, ‘der unheimlichste aller Gäste’. Nietzsche is niet de eerste, laat staan de enige die de groeiende twijfel aan de vooruitgang waarneemt. In de loop van de negentiende eeuw ontstaat in Europa – aanvankelijk in het Rusland van Toergenjev en Dostojevski (zie hoofdstuk 3), dan in Frankrijk en Duitsland en vervolgens, met enige vertraging, in de rest van Europa – een zekere moedeloosheid, een algemene stemming van decadentie, verwarring en malaise. Dit fin de siècle kan volgens Nietzsche niet worden afgedaan als een toevallige, willekeurige stemming, een soort Weltschmerz die als een treurige vlinder door de moderne geschiedenis fladdert en per toeval in zijn tijd is neergestreken. Het gaat hier om een grondstemming die langzaam maar zeker van de westerse mens bezit neemt. De onheilspellende gast van het nihilisme zetelt nog niet in ieders hart, maar de barsten in het vro¬lijke vooruitgangs¬optimisme zijn wel overal zichtbaar.

     

    De dood van God


    ‘Ik zoek God, ik zoek God!’ roept de idioot in de meest beruchte passage uit Nietzsches werk, ‘De dolle mens’ (De vrolijke wetenschap, 1882). Je moet wel gek zijn om in onze tijd op zoek te gaan naar God. Het Duitse woord ‘toll’ in ‘Der tolle Mensch’ is afkomstig van ‘tollen’, wat zoveel wil zeggen als draaien, dolen, een dolle of idioot zijn. De idioot is God kwijtgeraakt en komt tot de ontdekking dat God dood is en dood blijft. Omdat God niet meer terugkeert in de menselijke geschiedenis, is en blijft ook de idioot wat hij is: een dolende idioot. En die idioot, dat zijn wij!


    Van God los heeft de idioot geen absoluut stand¬punt van waaruit de wereld valt te overzien en daarom doolt hij rond op aarde. Men kan niet eens zeggen dat hij de ver¬keer¬de kant op gaat, want dat veronderstelt dat er oriëntatiepunten voor de goede richting zouden zijn. Het ontbreekt de idioot aan alles: oriëntatie, motivatie, medium, middelen, richting, einddoel. Daarom schrijft Nietzsche: ‘Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten?’


    Charles Taylor, die deze tekst zeer goed kent, heeft in zijn Bronnen van het zelf een interessant verband gelegd tussen de mogelijkheid van ruimtelijke oriëntatie en pathologie. Zonder een oriëntatiepunt raakt een mens blijkbaar zo ernstig gedesoriënteerd dat hij zich nog amper staande kan houden:

    ‘Er bestaan aanwijzingen dat het verband met ruimtelijke oriëntatie diep in de menselijke psychè is verankerd. In sommige zeer extreme gevallen van wat beschreven wordt als ‘narcistische persoonlijkheidsstoornissen’, die de vorm aannemen van een radicale onzekerheid over jezelf en over wat voor jou van waarde is, vertonen patiënten ook tekenen van ruimtelijke desoriëntatie op momenten van acute crisis. De desoriëntatie en onzekerheid over waar je als persoon staat, lijken over te gaan in het kwijtraken van de greep op de plaats die je in de fysieke ruimte inneemt.’
    (Charles Taylor, Bronnen van het zelf, 70)

     

    De ontdekking dat God dood is, opent voor Nietzsche het huiveringwekkende inzicht in de werkelijke toestand van de laatmoderne condition humaine: ‘Dolen wij niet als door een oneindig niets?’ Steeds meer mensen verliezen het geloof in de geldigheid van de oude wereldorde en vragen zich af wat nog werkelijk van waarde is en wat niet. Hier ligt het principiële verschil tussen de moderne en de laatmoderne mens. De moderne mens denkt nog altijd dat hij via wetenschap en ratio een fundament kan vinden voor de ordening van de werkelijkheid. We zullen echter hoe dan ook principieel willekeurige standpunten moeten innemen van waaruit we toch op een geloofwaardige manier moeten samenleven. In tegenstelling tot wat de Verlichtingsdenkers manmoedig schreeuwen, gaat het grote licht in de moderne geschiedenis niet langzaam aan. Het gaat langzaam uit. Al die kleine lichtjes die overblijven, hebben een bescheiden uitstraling.

     

    Onze schepen mogen weer uitvaren


    Nietzsche maakt zich grote zorgen over de sluipende desintegratie van de westerse samenleving, maar hij is geen cultuurpessimist. De dood van God en het verlies van een absolute maat betekenen voor hem juist de mogelijkheid van een nieuw begin:

    ‘Wij filosofen en ‘vrije geesten’ voelen ons bij het bericht dat de ‘oude God dood’ is, als door een nieuw morgen¬rood verlicht. Ons hart stroomt daarbij over van dankbaarheid, verbazing, vermoedens, verwachting – eindelijk ligt de horizon weer voor ons open, zelfs al is hij niet helder, eindelijk mogen onze schepen weer uitvaren.’ (De vrolijke wetenschap 343, p.346)

     

    Nietzsche wil de weg vrijmaken voor een authentieke levensstijl. De dominante moraal van de moderniteit, het liberalisme, kent zelf geen beschavingsoffensief. Zij verdedigt de negatieve vrijheid, de losmaking van religieuze of politieke overheersing, en propageert de strijd tegen bevoogding en paternalisme. Tegen de achtergrond van de geschiedenis is dat begrijpelijk, maar met het oog op de toekomst schiet het tekort. Ten eerste laat het liberalisme niet zien hoe mensen hun leven zouden kunnen controleren. Bovendien wordt over de richting van onze westerse cultuur en de kwaliteit van het menselijk leven al evenmin veel gezegd. De liberale Verlichtingsdenker overschreeuwt zichzelf. Hij houdt zich angstvallig van de domme over het besef dat de zin van het leven niet vanuit de rede of de wetenschap kan worden bepaald.
    Nietzsche beschouwt het als zijn taak om de moderne mens de weg te wijzen naar een nieuw zelfrespect. Negatieve vrijheid (emancipatie en zelfbeschikking) is één ding, positieve vrijheid (zelfbepaling) is nog wat anders. De moderne westerse cultuur is fundamenteel gefocust is op zelfbeschikking. Maar zelfbeschikking is nog geen zelfrespect en besef van eigen kwaliteit en waarde. Nietzsche hoont de liberale mens bij monde van Zarathustra:

    ‘Vrij noem jij je? Jouw heersende gedachte wil ik horen en niet dat je aan een juk bent ontsnapt […] Vrij waarvan? Wat kan Zarathustra dat nou schelen! Helder echter moet mij je blik zeggen: vrij waartoe? Kun jij jezelf eigen goed en kwaad geven en je wil boven je hangen als een wet? Kun jij jezelf oordelen en wreker zijn van jouw wet?’ (Aldus sprak Zarathoestra I : Van de weg des scheppers, 64)

     

    Moderne Bildung en zelfexpressie


    Nietzsche wil de laatmoderne mens leren hoe om te gaan met de hachelijke vrijheid die hem door de moderniteit is toebedeeld. Hij heeft zich altijd expliciet bezig gehouden met oriëntatie, pedagogiek en morele educatie, kortom met Bildung. Al heel vroeg in zijn werk wijst hij erop, in aansluiting op de romantische impuls van zelfexpressie, dat onze laatmoderne tijd het voorbeeld van de Griekse levenskunst zou moeten navolgen om uit alle elementen een vorm te creëren en ‘de chaos te orgasiseren’. Taak van onze moderne opvoeding zou moeten zijn om jonge mensen te leren ‘een levende samenhang van eigen ervaringen in zich te voelen groeien’.


    De negentiende-eeuwse Bildung is echter uiterst conservatief en disciplinerend. Jongeren worden opgevoed om zo hard mogelijk te werken en zichzelf te vergeten. De jonge mens, aldus Nietzsche, is ‘van kinds¬been af eraan gewend een richting te krijgen. […] Men heeft hen nooit de tijd gegund om zichzelf richting te geven. […] Ze worden aan zichzelf ont¬vreemd.’ Dit heeft enorme consequenties voor hoe ze als volwassenen in het leven staan. De meeste mensen zijn weliswaar actief, maar volgens Nietzsche ‘ontbreekt het hun aan hogere activiteit: ik bedoel individuele. Ze zijn als ambtenaar, koopman, geleerde, met andere woorden als soortwezen actief, maar niet als specifiek, individueel, uniek mens: in dit opzicht zijn ze lui.’


    Volgens Nietzsches nieuwe Bildungsideaal zou de actief handelende mens vóór alles zich¬zelf tot zorg moeten zijn. Nietzsche wil de vitaliteit van mensen stimuleren en spoort hen aan hun levendigheid en creativiteit te bewaren. Daarmee is hij de voorloper van Foucault, die hem expliciet als leermeester en inspirator van zijn eigen bestaansethiek heeft erkend.

     

    4 De soevereiniteit van de vrije geest

     

    De arts en pedagoog Nietzsche zag voor zichzelf de taak weggelegd om ‘de malaise van de moderniteit’ om te buigen en een pro¬ces van gezondmaking en heropvoeding te bepleiten. In navolging van een lange wijsgerige traditie pleit Nietzsche ervoor dat de moderne mens zelf vormgeeft aan zijn leven. Het opvoedingsparool van Nietzsches gezondheidsleer luidt: ‘word wie je bent’. Dit proces van zelfwording krijgt gestalte dankzij een permanente levenskunst.


    Nietzsches laatmoderne ethiek heeft parallellen met de premoderne karakterethiek van Aristoteles. Voor beide auteurs staat karaktervorming centraal. Wat betreft de weg en het doel denken ze echter zeer verschillend. Aristoteles ontwikkelde een deugdethiek volgens welke het individu moet proberen voor allerlei omgangsvormen met zichzelf en anderen het juiste midden te vinden, bijvoorbeeld tussen lafheid en overmoed. Daarin schuilt dan de persoonlijke deugd, in dit geval moed. Doel van dit type premoderne zelfstilering is de actualisering en vervulling van iemands potentiële natuur. Indien dat lukt ben je een voortreffelijk mens.


    Nietzsche gaat in tegenstelling tot Aristoteles niet uit van een oorspronkelijke natuur die moet worden verwerkelijkt. Hij hanteert ook niet het criterium van het juiste midden. Hij is geen deugdethicus maar opteert voor een waarden¬moraal. Het laatmoderne leven is een zoektocht naar zin. Daarin gaat het – na de dood van God – om het uitvinden en scheppen van waarden. Het laatmoderne individu heeft een dubbele taak: emanciperen uit oude, overleefde verbanden en zoeken naar een eigen oriëntatie. De nieuwe opdracht is het creëren van een stijlvol karakter op basis van een eigen rangorde van waarden.

     

    Nietzsche geeft een schets van het emancipatieproces dat iemand die naar de vrijheid streeft, zou moeten volgen. Nietzsche is geen voluntarist: vrijheid is voor hem niet het resultaat van een wilsbesluit, maar het gevolg van een praktisch leerproces. Wie een vrij mens wil worden, moet als het ware in therapie. De termen die Nietzsche gebruikt ter aan¬duiding van zijn herstelprogramma zijn veelzeggend: gezondheidsleer; verlossingsleer; kuur en zelfherstel; de grote vrijmaking; het vrijmakingsmysterie; wil tot zelfbepaling en tot vrije wil. Typerend is de parallellie tussen de begrippenparen ziek/gezond en gebonden/vrij. Het emancipatie¬proces van een gebonden geest naar een vrije geest, is identiek met het genezingsproces van de zieke die weer gezond wordt. Bovendien hanteert Nietzsche de begrippenparen sterk/zwak en heer/slaaf: de sterke of de heer is degene die de weg van de emancipatie naar de positieve vrijheid heeft afgelegd. De slaaf is degene die thuisblijft, die gebonden blijft en zich conformeert. Hij is te zwak om op eigen benen te staan. Het emancipatieproces, de overgang van de gebonden naar de vrije geest, omvat een aantal stadia: binding, losmaking, revolte, afwending en toenadering, de genezing van de vrije geest.

     

    De gebonden geest


    Startpunt van de moderne emancipatie is de toestand van de gebonden geest, de conformist. In traditionele gemeenschap¬pen zijn de meeste mensen volkomen gebonden aan de gemeenschapsmoraal. Zonder de binding aan een algemeen geldende moraal was de mens volgens Nietzsche niet eens aan emancipatie toegekomen. ‘De mens is aan vele kettingen gelegd opdat hij het zou verleren zich als een dier te gedragen: en werkelijk, hij is milder, verstandiger, vrolijker en bezonnener geworden dan alle dieren.’ Ook in de moderne tijd zag Nietzsche vooral gebonden geesten : kerkgangers, partijgangers, echtelieden, mensen die hun plicht deden. Weinig mensen waren werkelijk bereid om risico’s te nemen en uit te zoeken wat voor hen¬zelf de beste uitweg is uit de bestaansonzekerheid.

     

    De ontbinding


    Vrijheid begint met het verlangen om vrij te zijn en zelf de eigen koers te bepalen. Nietzsche beschrijft de losmaking als een raadselachtig fenomeen. Dat gebonden mensen de vrijheid zoeken valt niet altijd gemakkelijk te verklaren. Iets in die gebondenheid is niet langer houdbaar. Soms is de wending zelfs voor de betrokkene onbegrijpelijk. De beslissende gebeurtenis wordt door Nietzsche omschreven als een soort aardbeving:

    ‘De jonge ziel wordt in één klap ge¬schokt, losgescheurd […] zij be¬grijpt zelf niet wat er zich afspeelt. Een aandrift en aan¬drang gebiedt en over¬mees¬tert haar als een be¬vel; een wil en wens ontwaakt om weg te gaan, waar¬heen dan ook, tot iedere prijs; een heftige en gevaarlijke nieuwsgierigheid naar een nog niet ontdekte wereld ontvlamt en woedt in al haar zinnen. “Liever sterven dan hier te leven” – zo klinkt de dwingende stem en verleiding: en dit “hier”, dit “thuis” is alles dat zij tot dan had liefgehad!’ (Menselijk al te menselijk I, Voorrede 3, 11),

     

    Nietzsche omschrijft de eerste act van de vrijheid als een complex amalgaam van gevoelens: minachting voor de oude plicht, schaamte over de breuk, nieuwsgierigheid naar de toekomst en triomf over het afscheid. Het voornaamste aspect van de ontbinding is een ‘wil tot een vrije wil.’ Hoe het vanaf daar verder moet, is dan nog lang niet duidelijk.

     

    De rebel


    De tweede stap in de emancipatie is een vorm van revolutionair en destructief gedrag. De gebonden geest is immers gewend te gehoorzamen en in te stemmen: zoals het gaat is het leven goed. Maar wie zich losmaakt en de vrijheid tegemoet treedt, begint met een sterke argwaan en scepsis: waarom gaat hier alles zoals het gaat? De rebel houdt alle bestaande waarden tegen het licht: welk belang zit erachter? ‘Kan men niet alle waarden omkeren?’


    In de tekst ‘Von den drei Verwandlungen’ uit Also sprach Zarathustra voert Nietzsche drie metaforen op: de kameel, de leeuw en het kind. Ze staan voor de fasen op weg naar de vrijheid. De kameel is de lastdrager en staat voor de gebonden geest; de leeuw staat voor de rebel of revolutionair, en het kind voor de vrije geest. De leeuw is weliswaar ongebonden maar nog lang niet vrij: hij moet verscheuren. De amper vrije geest die zich nog maar net heeft losgemaakt en die nog geen nieuwe bindingen heeft, moet overal tegen rebelleren. Hij verwerpt elke moraal die hij tegenkomt.

     

    De tussenmens


    Na de ontbinding en de revolte volgt een lange overgangsfase, die van de tussen-mens. De tussenmens heeft twee gedaanten. Eerst leeft hij in wachttijd, afgewend van het echte leven. Hij gehoorzaamt misschien nog wel, maar op heel andere gronden en niet langer blind. Er vindt een tijdelijke opschorting van het leven plaats. Soms is er een terugval en keert iemand terug op het oude nest. Dan is de oude binding toch te sterk gebleken. Soms ontwikkelt iemand zich tot een kwaaie hond, omdat hij te lang aan de ketting heeft gelegen. Soms kiest iemand radicaal voor een nieuwe binding : hij trouwt opnieuw, wordt weer partijlid, wordt katholiek et cetera. De tussenmens echter leeft zoveel mogelijk zonder oordelen en zonder binding. Hij leeft vooral zonder engagement, zonder haat maar ook zonder liefde.


    Dan volgt langzaam de toewending naar het nieuwe leven. Deze nieuwe ziel, los van haar vroegere bindingen, los van haar radicale scepsis, beziet de wereld met nieuwe ogen. Na een periode van ziek zijn past het om de gezondheid als het ware in kleine doses tot zich te nemen. Het is, aldus Nietzsche, alsof iemand voor het eerst pas werkelijk tot bewustzijn komt: ‘Hij was buiten zichzelf, het lijdt geen twijfel. Nu ziet hij pas zich¬zelf.’ (Voorrede 5)

     

    De vrije geest


    Het raadsel van de grote vrijmaking nadert zijn ontknoping. De vrij¬geworden geest ontdekt waarom hij zich van zijn vroegere bindingen moest ontdoen. Hij begrijpt zijn eerdere rebellie en afstandelijkheid. Hij realiseert zich dat hij al deze stadia moest doorlopen om ooit zichzelf te kunnen vinden en gehoorzamen. De vrije geest weet wat het is om de stuurman te zijn van zijn bestaan.
    Aan het eind van het emancipatieproces ontdekt de vrijgeworden geest volgens Nietzsche het probleem van de rangorde. Het menselijk leven voltrekt zich altijd vanuit wisselende perspectieven en waarden. De vrijgeworden geest heeft zich losgemaakt van elke absolute moraal. Hij is gaandeweg zijn eigen rangorde van waarden op het spoor gekomen, van waaruit hij voortaan leeft.


    Vrije geesten zijn vaak nog steeds gebonden, aan huwelijk, rang of stand, beroep, partij, staat, levensbeschouwing of ideologie. Leven en samenleven betekent nu eenmaal standpunten innemen, waarderen, zich losmaken en zich verbinden. De vraag is echter steeds waarom je je losmaakt, waarom en op grond waarvan je je verbindt. De vrije geest is diegene die weigert, afwijkt, verrast, instemt maar op andere gronden, altijd waardeert vanuit zichzelf. Hij gelooft niet in algemene oplossingen voor bijzondere levenssituaties. Een vrije geest zegt ‘elk geloof, elke zekerheid vaarwel, geoefend als hij is in het vermogen om op dunne koorden en mogelijkheden overeind te blijven en zelfs aan de rand van afgronden nog te dansen.’

     

    Tot zover Nietzsches omschrijving van deze disciplina voluntatis: het leerproces van de innerlijke vrijheid als een belichaming van een persoonlijke rangorde van waarden. Na jaren van toewijding aan zichzelf is de levenskunstenaar eindelijk geworden wie hij is. Vrijheid is een mentale toestand die een mens alleen maar kan verwerven op grond van een langdurig gevecht met de eigen ziel. Alleen dan wordt het ge¬leefde leven inderdaad echt het eigen leven.

     

    Authentieke zelfexpressie


    Voor Nietzsche moet het leven een zekere grootsheid en intensiteit bezitten. Het is van levensbelang om het leven met een vrolijke ernst op te vatten en te proberen om te ontsnappen aan de vele gedaanten van slaafsheid: angst, luiheid, vermoeidheid, onmacht, lijden, rancune. Bovendien moet je het leven niet opvat¬ten als een puur tijd¬verdrijf, daar is het te kostbaar voor. In die zin toont Nietzsche zich een representant van het romantisch expressivisme dat een vitaal, creatief bestaan voor-staat. De mens is fundamenteel een scheppend wezen dat zichzelf in de loop van het leven een eigen vorm kan geven. ‘In de mens zijn schepsel en schepper verenigd. In de mens is stof, brokstuk, overvloed, leem, slijk, onzin, chaos; maar in de mens is ook de schepper, de kunstenaar.’ Nietzsches profeet Zarathoestra gaat op zoek naar ‘medescheppers, metgezellen in het oogsten en feesten […] Met¬gezellen zoekt de schep¬per, en geen lijken en ook geen kudde en gelovigen.’ Het komt erop aan dat je geen meeloper wilt zijn, maar je eigen weg gaat, desnoods alleen. De echte soevereine mens gaat zelfs voor¬op. Weg met de eeuwige slachtoffers. Weg met de kuddedieren en de goeroes. Weg met de fundamentalisten. ‘Blijf de aarde trouw!’ is het nietzscheaanse parool. Vlucht niet naar een andere, illusionaire wereld. Weiger zogenaamde absolute waarheden die voor iedereen altijd zouden gelden. Accepteer en beleef de onzekerheid van het bestaan op je eigen, stijlvolle manier. Dat is nietzscheaanse levenskunst.


    Zelfexpressie heeft betrekking op het waarderen en uitdrukken van je eigen stijl in een concrete levensvorm. De belangrijkste ontdekkingsreis in je leven is de vaststelling van wat je werkelijk van belang vindt. Uiteindelijk gaat het om een leven in vrijheid, liefde, rechtvaardigheid, schoonheid of geluk. De belangrijkste schep¬pende activiteit van de mens is het zich eigenmaken van waarden. De waarden die jou ten diepste aanspreken, moet je zo ordenen en op elkaar afstemmen dat je voor jezelf een concrete levensvorm in die richting schept en bijvoorbeeld een liefdevol, recht¬vaardig leven leidt.


    Nietzsche verdedigt een moraal van authenticiteit. Authenticiteit betekent: niet bang zijn, niet zomaar je uit angst aan de regels houden. Moedig zijn en dus waar nodig onredelijke autoriteiten weerstaan. Niet bang en ook niet lui zijn, maar actief uitzoeken wat voor jou van wezenlijk belang is. Creatief zijn: beproef en toets je eigen waarden in de praktijk van alledag. Je gooit het roer om, je gaat verhuizen en schept een heel nieuw bestaan. Zelfexpressie verwijst naar het handelen vanuit je gehele eigen wezen. Het nihilisme wordt pas werkelijk overwonnen door het authentieke individu.

     

    Het leven als kunstwerk


    Wanneer is voor Nietzsche het leven een kunstwerk? Dat is het geval wanneer iemand erin slaagt om de oorspronkelijke chaos van zijn innerlijk leven te overwinnen. Zo iemand heeft ‘met veel langdurige oefening en dagelijks werk’ zijn persoonlijkheid ontwikkeld tot een vrije geest met een stijlvol karakter. De karakter-volle mensen: de ‘heren’, dat zijn de kunstwerken. Doorslag¬gevend is dat zij een bepaal¬de innerlijke samen¬hang hebben aangebracht en gaandeweg de chaotische veelheid van oriëntaties tot een eigen vorm hebben geïntegreerd.


    Het zou in strijd zijn met zijn eigen moraal van authenticiteit wanneer Nietzsche een inhoudelijke voorkeur voor een bepaald soort karakter of persoonlijkheid zou uitspreken. Moderne mensen moeten zelf hun eigen weg naar hun eigen doel vinden. Wel is het zaak dát iemand zijn persoonlijkheid ontwikkelt en dat hij wordt wie hij is. Op grond van deze typologie kan men bij Nietzsche de volgende leefstijlen onderscheiden:

     

    1 De vrije geest met de grootste spanningsboog


    De hoogste vorm van ‘heerlijkheid’ zijn de pluralisten. Hun karakter is gestileerd vanuit een rijk en dynamisch waardepluralisme. Omdat ze proberen te leven vanuit verschillende waarden, hebben ze het niet gemakkelijk met zichzelf en zijn ze veroordeeld tot een spannend leven. Het zijn de vrije geesten met de grootste innerlijke spanningsboog. Ze hebben leren leven met een complexe oriëntatie. Alleen op deze manier kunnen ze het uithouden met zichzelf.

     

    2 De heer uit een stuk


    De andere hoogste mensensoort zijn de heren uit één stuk. Ook dit is een authentieke, soeverein levende mens. Deze heer bezit een karakter dat gevormd is onder één hoogste, zelf bepaalde waarde die aan zijn gehele leven de wet stelt. Het zijn sterke, heers¬zuchtige naturen die alleen kunnen leven onder de tirannie van één smaak. Alleen zo kunnen ze in vrede met zichzelf leven.

     

    3 Gedisciplineerde geesten: volgzame karakters


    De meeste mensen zijn volgens Nietzsche gebonden geesten. Ze zijn niet authentiek en hebben geen eigen moraal. Ze leven volgens de dominante conventies en waar-den. Voorbeelden van zulke geesten zijn diep religieuze mensen, of mensen met een hoge beroeps¬moraal. Nietzsche prijst weliswaar hun energieke kracht, maar hekelt hen toch als ‘fabriekswaar’. Dit type homogene karakters zijn het resultaat van disciplinering en niet van zelfdiscipline. Het zijn sterke slaven.

     

    4 Het zwakke karakter


    Veel mensen proberen zo nu en dan de vorming van hun persoonlijkheid ter hand te nemen. Ze doen als het ware een beetje aan levenskunst, of liever: ze beperken zich tot wat cosmetische ingrepen. Ze zorgen volgens Nietzsche ‘hier en daar voor wat versiering’. Het zijn oppervlakkige mensen, bang of lui. Ze hebben niet de kracht, de moed en de wil om vanuit zichzelf te leven en leiden een bestaan vol willekeur. Daarom moeten ze hun leven doorbrengen als slaven, van zichzelf en van anderen.

     

    5 De karakterloze mens


    De lelijke, ongevormde en dus karakterloze mens staat onderaan in Nietzsches hiërarchie. Deze slaven zijn on¬machtig tot elke vorm van stilering. Het zijn vormeloze, volledig ongedisciplineerde en karakterloze mensen. Onmacht schept rancune. Het ressentiment maakt zulke mensen lelijk en gevaarlijk. Deze slaafse mensensoort, eeuwig ontevreden met zichzelf, wil zich voortdurend wreken voor hun onmacht, op zichzelf en op de samenleving.

     

    Goethe als voorbeeldfiguur


    Nietzsches favoriete voorbeeld van een soeverein mens was de romanticus Johann Wolfgang von Goethe. Goethe was een universeel geleerde, ingevoerd in uiteen-lopende gebieden als filosofie en geschiedenis, natuurwetenschappen en literatuur. Hij was een origineel, flexibel en veelzijdig denker, en wat veel belang¬rijker was: hij stond midden in het volle leven! Hij maakte reizen door Italië en leidde een interessant liefdesleven. Ouder worden betekende voor hem niet het bittere einde maar een nieuwe fase met eigen mogelijkheden.


    Goethe smeedde zijn talenten en eigenschappen tot een sterke persoonlijkheid aaneen, aldus Nietzsche in Afgodenschemering: ‘Wat hij wilde was de totaliteit. Hij bestreed de scheiding van rede, zintuiglijkheid, gevoel, wil – gepredikt door Kant in de meest scholastieke traditie, Kant, de antipode van Goethe) – hij dwong zichzelf tot heelheid, hij schiep zich¬zelf.’ (Afgodenschemering, Verkenningen van een oneigentijds mens 49: Goethe, p. 106/107)

    All Posts
    ×